Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Mc.11,27-33 (1/06/2024)
27 Ze kwamen weer in Jeruzalem.
Toen ze op het tempelplein wandelden,
kwamen hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten naar hem
28 en vroegen:
“Met welke volmacht doe jij deze dingen
[de zuivering van het tempelplein],
en wie heeft je die volmacht gegeven om dat te doen?”
29 Jezus antwoordde hen:
“Ik zal jullie ook één iets vragen,
en als je mij antwoord geeft,
zal ik jullie zeggen met welke volmacht ik dit doe.
30 Het doopsel door Johannes,
was dat van de hemel uit, of van mensen uit?
Geef mij antwoord.”
31 Ze overlegden onder elkaar:
“Als we zeggen: van de hemel uit,
dan zal hij zeggen:
waarom heb je dan geen geloof gehecht aan hem?
32 Maar als we zeggen: van de mensen uit, …”
Ze waren bang voor het volk,
want allen hielden hem werkelijk voor een profeet.
33 Ze gaven Jezus ten antwoord:
“Wij weten het niet.”
En daarop zei Jezus tegen hen:
“Dan zeg ik jullie ook niet met welke volmacht ik dit doe.”
Het begint goed, schriftgeleerden, oudsten en hogepriesters komen naar Jezus toe met een vraag. Wanneer Jezus echter een wedervraag stelt, loopt het mis. De tegenpartij begint onderling – al mompelend – in te vullen wat Jezus zou kunnen antwoorden. Al deze mogelijke antwoorden (die ze niet aftoetsen) maken hen bang. Ze durven niet meer oprecht uit te spreken wat er in hen omgaat zodat er geen dialoog mogelijk is, integendeel. Echte dialoog vraagt immers dat je elkaar de ruimte geeft om jezelf in te brengen, jezelf op het spel te zetten en dat je tegelijk ontvankelijk bent voor de ander. Het constructieve hieraan is dat je elkaars stemmen naast elkaar legt, niet in de verdediging schiet of tot aanval overgaat. Je bent bereid de ander te laten zijn wie of wat hij is. Het is pas dan dat er verrassende inzichten zullen oplichten en mensen dichter bij zichzelf – en zo ook dichter bij G-d – zullen uitkomen.
Mc.12,18-27 (5/06/2024)
18 Nu kwamen er sadduceeën bij hem.
Zij [als religieuze stroming voor wie enkel de eerste vijf boeken van de Schrift bepalend waren] zeggen dat er geen opstanding [uit de doden] is.
Ze vroegen Jezus:
19 “Meester, Mozes heeft ons geschreven:
Als iemands broer sterft
en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen,
dan moet die broer bij de vrouw een nakomeling verwekken
voor zijn broer. [Deut.25,5-10]
20 Nu waren er eens zeven broers.
De eerste huwde en stierf zonder nakomeling.
21 De tweede huwde haar, maar ook hij stierf zonder nakomeling.
De derde evenzo.
22 Zo huwden alle zeven haar zonder een nakomeling na te laten.
Als laatste stierf ook de vrouw.
23 Bij de opstanding nu, van wie zal zij de vrouw zijn,
want alle zeven hebben haar als vrouw gehad?”
24 Jezus antwoordde hen:
“Dwalen jullie niet,
omdat je niet in kennis bent met de Schrift
noch met de dynamiek van God?
25 Want wanneer zij opstaan uit de doden,
huwen ze niet en worden niet gehuwd,
maar zijn ze als engelen in de hemelen.
26 En over de doden, dat zij opstaan:
Hebben jullie niet gelezen in het boek van Mozes
hoe God bij de braamstruik tegen hem zei:
‘Ik ben de God van Abraham,
de God van Isaak en de God van Jakob’?
27 Hij is toch geen God van doden, maar van levenden?!
Jullie dwalen ernstig!”
Wij kijken wat vreemd op van zo’n spitsvondige verhaaltjes, die wij als ‘spijkers op laag water’ ervaren. Jezus kijkt er níet vreemd van op! Dit soort denktrant was – en is – eigen aan de Joodse religie. D.m.v. ver doorgedreven casussen verkent men alle zijden van de Torah / de Wijzing, om zo al zoekend en discussiërend misschien iets dichter bij te komen. Een definitief woord kan nooit worden gezegd.
Jezus verwijt het hen dan ook niet dat ze met zo’n casus komen. Integendeel, hij gaat er op in – of hier preciezer: hij gaat er tegenin. De letterlijkheid van
hun voorbeeld zou verkeerdelijk kunnen doen begrijpen dat het ‘leven na de opstanding’ er zomaar hetzelfde zou uitzien als het leven dat wij nu kennen. Hún – logische! – conclusie is dan dat het dus niet kan. Nee, zegt Jezus, je maakt een denkfout! Dat ‘leven na de opstanding’ is helemaal anders dan wij ons nu kunnen indenken. Geen menselijke beperking, van wat voor aard ook, kan en zal het tegenhouden! Het kán dus niet alleen, het ís er ook!
Mc.12,28b-34 (6/06/2024)
28 Er kwam een schriftgeleerde bij hem die hun discussie [over de opstanding van de doden] had gehoord
en dat hij hun goed van antwoord had.
Hij vroeg hem:
“Wat is de eerste wijzing [gebod] van alle wijzingen?”
29 Jezus antwoordde hem:
“De eerste van alle wijzingen is:
Luister, Israël,
de Heer is onze God, de Heer is één.
30 Je zult de Heer je God daad-werkelijk liefhebben,
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht. [Deut.6,4-5]
Dit is de eerste wijzing.
31 De tweede, gelijke, is:
Je zult wie jou nabij komt
daad-werkelijk liefhebben als jezelf. [Lev.19,18]
Een andere wijzing, groter dan deze, is er niet.”
32 De schriftgeleerde zei hem nu:
“Goed, meester, het is waar wat je zegt:
God is één en er is geen ander behalve hem,
33 en hem daad-werkelijk liefhebben
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht,
en wie je nabij komt daad-werkelijk liefhebben als jezelf,
dat is méér dan alle brandoffers en andere gaven.”
34 Jezus zag dat hij wijs had geantwoord en zei hem:
“Je bent niet ver van het koningschap van God.”
En niemand durfde hem nog een vraag stellen.
Hier hebben we een mooi voorbeeld van wat we gisteren zeiden over de Joodse manier van omgaan met de Wijzingen. Jezus doet niets af van en voegt niets toe aan de Wijzingen zoals hij ze ontvangen had van zijn geloofscontext – de ‘Schriften’, die wij het ‘Oude Testament’ noemen. Hij citeert eenvoudigweg.
Toch is hij met die traditie bijzonder creatief! Door ‘eenvoudigweg’ díe twee citaten naast elkaar te plaatsen, ontstaat er een dimensie die dus niet áfwezig was in het Joodse geloof, maar in de ogen van Jezus te weinig naar voor kwam: Het is de éénheid van de gerichtheid op G-d en de gerichtheid op de mensen. Voor Jezus hangen beiden onlosmakelijk aan elkaar vast als ‘eerste Wijzing’. Meer nog: ze zijn gelijk! Wie waarachtig het ene doet, doet ook het andere!
Dat is erg verstrekkend als je daarop door denkt. De waarheid ervan ontdek je ook pas … als je het dóet!
Mc.12,38-44 (8/ 06/2024)
38 In zijn onderwijzing zei Jezus:
“Kijk uit voor schriftgeleerden
die graag in lange gewaden rondwandelen,
begroet willen worden op de markten,
39 de voornaamste zetels willen
in de samenkomsten [synagoge] en bij maaltijden,
40 terwijl ze de huizen van weduwen opslokken
en voor de schijn lang voor hen bidden.
Voor dezen zal het oordeel des te strenger zijn!”
41 En gezeten tegenover de offerschaal,
zag Jezus hoe velen er geld in wierpen.
Veel rijken wierpen er veel in.
42 Maar er kwam ook één arme weduwe,
die er twee kopermuntjes in wierp.
43 Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei hen:
“Amen [zeker, naar waarheid], ik zeg jullie:
Die arme weduwe heeft het meest van allen erin geworpen,
44 want zij wierpen iets uit hun overvloed bij de gaven,
maar deze vrouw,
vanuit haar tekort,
wierp er alles in wat ze had:
haar leven!”
Nog maar eens: Jezus heeft niets tegen de voorschriften of tegen uiterlijke vormen van geloofsbeleving. Hij hoopt alleen en verwacht vurig dat wat zich uiterlijk laat zien vooral een weerspiegeling is van wat zich innerlijk afspeelt. ‘Geloven’ heeft immers als kern de ‘liefdesverhouding’ tussen een concrete mens en G-d.
Wat heb je voor je geliefde over? Die arme weduwe gaf er alles voor wat ze bezat. Dát is pas een uiting van liefde/geloof! Wat hij aan – sommige – schriftgeleerden verwijt is dat ze hun ogenschijnlijke godsliefde gebruiken om zichzelf in de schijnwerpers te zetten. Dat heeft weinig met echte liefde te maken, vooral wel met éigenliefde.
Dat klinkt allemaal misschien wel mooi en zelfs logisch, maar het is toch niet zo gemakkelijk om het ook feitelijk zo te beleven. Er staat ons veel ‘ikkigheid’ in de weg – tenminste als we zo eerlijk zijn dat te willen bekijken en erkennen. De vraag is dus of ik ‘mijn leven’ – dat is: mijn ikkigheid’ – in de offerschaal wil werpen.
Mc.7,31-37 (8/09/2024)
31 Jezus ging weer weg van het gebied van Tyrus en Sidon
en kwam bij het meer van Galilea,
in het gebied van Dekapolis.
[dus aan de oostzijde van het meer, ook Helleens/’heidens’ gebied]
32 Men bracht hem een dove,
die ook moeilijk sprak,
en ze smeekten
hem de handen op te leggen.
33 Jezus nam hem uit de menigte apart,
stak zijn vingers in zijn oren,
spuwde en nam zijn tong vast.
34 Hij keek op naar de hemel,
zuchtte
en zei tegen hem:
“Effata!” – wat betekent: word geopend.
35 Onmiddellijk openden zich zijn oren
en werd de band van zijn tong los
en kon hij gewoon spreken.
36 Jezus gebood hun het aan niemand te zeggen,
maar hoe meer hij het verbood,
hoe meer zij het verkondigden.
37 Ze waren uitermate versteld
en zeiden:
“Alles doet hij goed!
Doven doet hij horen
en sprakelozen spreken.”
Hoe kunnen we omgaan met de meest kwetsbaren onder ons?
Je kunt ervoor kiezen om hen buiten de maatschappij te plaatsen, hen te negeren en hun stem te smoren, om zo je eigen systeem veilig te stellen. Je kunt ook alles voor hen regelen, in hun plaats denken en spreken, met de beste bedoelingen, ervan uitgaande dat je weet wat goed voor hen is.
Maar er is een andere weg. Jezus toont ons een alternatief. Hij spreekt ‘tot’ deze kwetsbare man, in plaats van ‘over’ hem. Hij neemt hem even apart, uit de omgeving die hem verstikt, om een echt gesprek aan te gaan. Hij bevrijdt hem van zorg die betuttelt en hem klein houdt. Hij brengt hem bij G-d, in een veilige, liefdevolle ruimte, en legt hem de hand op, vragend aan G-d om hem te bevrijden. Niet om zelf lof te ontvangen, maar omdat G-d zich juist daar laat kennen waar mensen go(e)d zijn voor elkaar, elkaar nabij zijn en ondersteunen, en bevrijden in Zijn Naam.
Dit is wat Jezus hier doet, en wat hij telkens weer doet, nl. zeggen, als een belofte: "Ga, open ... en leef!"
Mc.4,1-9 (13/09/2024)
1 Opnieuw begon Jezus onderricht te geven langs het meer.
Er verzamelde zich zo’n menigte rondom hem,
dat hij in een boot stapte en daarin ging zitten, op het meer,
terwijl de menigte op het land langs het meer bleef.
2 Hij onderrichtte vaak in gelijkenissen.
Nu zei hij in zijn onderricht tegen hen:
3 “Luister!
Kijk, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En het gebeurt, tijdens het zaaien,
dat een deel op de weg viel.
De vogels kwamen en aten het op.
5 Een ander deel viel op steenachtige grond
waar het niet veel aarde had.
Onmiddellijk kwam het op,
omdat het niet veel diepte had,
6 maar toen de zon opkwam, verschroeide het,
omdat het geen wortel had.
7 Een ander deel viel tussen de dorens.
Die kwamen op en verstikten het,
zodat het geen vrucht gaf.
8 Een ander deel viel in goede aarde.
en groeiend, gaf het vrucht,
deels dertig-, deels zestig-, deels honderdvoudig.”
9 En hij besloot:
“Wie oren heeft om te horen,
moet luisteren!”
Vandaag staan we even stil bij een van de oude kerkleraren. Hij was een befaamd prediker – vanwaar ook de keuze voor dit Evangelie over het vruchtbare zaad. Wellicht belangrijk – precies ook voor ons vandaag – is daarin op te merken dat hij in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten vaak de ‘diaconie’ benadrukte en zich druk maakte over de geestelijke en materiële behoeften van de armen. Hij sprak zich uit tegen het misbruik van rijkdom en persoonlijke eigendommen. In een van zijn homilieën zegt hij:
“Wilt u het lichaam van Christus eren? Negeer hem niet als hij naakt is. Bewijs hem in zijde gekleed geen eer in de tempel, om hem daarna weer buiten staand te negeren, waar hij het koud heeft en slecht gekleed is. Hij die zei: "Dit is mijn lichaam" is dezelfde die zei: "Je zag dat ik hongerig was en je hebt mij geen eten gegeven", en "Wat u de geringste van mijn broeders heeft aangedaan, heeft U ook mij aangedaan" ... Wat heb je eraan als de Eucharistietafel is overladen met gouden kelken, als je broeder is gestorven van de honger? Begin ermee zijn honger te stillen om daarna met wat overblijft het altaar te versieren.”