Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.
Donderdag (3/04/2025)
Joh.5,31-47
31 “Als ik getuig over mezelf,
heeft mijn getuigenis geen waarde.
32 Maar er is iemand anders die over mij getuigt
en ik weet dat zijn getuigenis over mij waar is.
33 Jullie hebben gezanten gezonden naar Johannes
en hij heeft naar waarheid getuigd.
34 Zelf heb ik het getuigenis van een mens niet nodig,
maar ik zeg dit tot jullie vrijmaking.
35 Hij was de lamp, brandend en schijnend,
maar jullie hebben je maar een uur
in zijn licht willen verheugen.
36 Maar ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes:
de werken die de Vader aan mij gegeven heeft om te volbrengen.
Wat ik doe getuigt over mij dat de Vader mij gezonden heeft.
37 En de Vader die mij gezonden heeft,
heeft zelf over mij getuigd.
Jullie hebben zijn stem nooit gehoord,
noch heb je zijn beeltenis gezien
38 en zijn woord heb je niet in je opgenomen,
omdat je geen vertrouwen stelt in wie hij gezonden heeft.
39 Jullie onderzoeken de Schriften
omdat je meent daarin het volle leven te vinden.
Maar zij getuigen juist over mij!
40 En toch wil je niet naar mij komen om leven te vinden.
41 Ik neem geen eer van mensen aan,
42 maar ik weet dat jullie de liefde voor God niet in jullie hebben.
43 Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader
en je neemt mij niet aan;
en als een ander komt in zijn eigen naam,
neem je hem wel aan!
44 Hoe kunnen jullie leven in vertrouwen
als je wel eer van elkaar aanneemt,
maar niet de eer van de enige God zoekt?
45 Denk niet dat ik jullie zal aanklagen bij de Vader.
Degene die jullie zal aanklagen, is Mozes,
op wie je je hoop had gevestigd.
46 Want als jullie écht in Mozes je vertrouwen hadden gesteld,
zou je ook je vertrouwen stellen in mij,
want hij heeft over mij geschreven!
47 Maar als je geen vertrouwen stelt in zijn geschriften,
hoe zul je dan vertrouwen stellen in mijn woorden?”
Het Johannesevangelie dus … Diepzinnig, complex en condens, ook wel moeilijk soms …
Het gaat hier (o.a.) over getuigenis geven en getuigenis aanvaarden. Johannes de doper getuigde over Jezus, de Joodse overheden en velen van het volk hebben dat niet aanvaard. Jezus getuigde over de Vader, maar ze hebben dat niet aanvaard. Jezus priemt hier nog wat dieper in de wond: de Schriften, die zij toch zo goed kennen, getuigen over hem, maar ze aanvaarden dat getuigenis niet, omdat ze blijven vasthangen aan hun eigen interpretaties.
Dat komt, zegt Jezus in v.44, omdat mensen eerder menselijke eer zoeken, dan de eer van de enige G-d! Dat verblindt hen om de getuigenissen waarachtig te begrijpen.
Dat doet ons vandaag de vraag stellen hoe al of niet verblind wíj zijn. Ontvangen wij de Schrift, de profeten en Jezus met een eerlijk open blik, of bekijken wij ze enkel in het (verblinde) licht van ons eigenbelang?
Woensdag (2/04/2025)
Joh.5,17-30
17 Jezus zei tegen de Joden:
“Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook!”
18 Hierom zochten ze des te meer om hem te doden,
omdat hij niet alleen de sabbat losmaakte,
maar ook God zijn eigen vader noemde,
waarmee hij zichzelf aan God gelijk maakte.
19 Jezus antwoordde hun:
“Amen, amen, ik zeg jullie:
De Zoon kan niets uit zichzelf
tenzij hij het de Vader ziet doen,
want wat de Vader doet, doet de Zoon evenzo.
20 En de Vader heeft de Zoon lief,
daarom toont hij hem alles wat hij zelf doet.
En hij zal hem nog grotere dingen laten doen dan deze.
Je zult je nog verwonderen!
21 Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt,
zo maakt ook de Zoon levend wie hij bedoelt.
22 De Vader zelf oordeelt niemand,
maar het gehele oordeel heeft hij in handen gegeven van de Zoon
23 opdat allen de Zoon zouden eren zoals ze de Vader eren.
Wie de Zoon niet eert,
eert ook de Vader niet die hem gezonden heeft.
24 Amen, amen, ik zeg jullie:
Wie mijn woord hoort
en vertrouwen stelt in wie mij gezonden heeft,
heeft het volle leven.
Hij komt niet in het oordeel,
maar is al overgegaan uit de dood in het leven.
25 Amen, amen, ik zeg jullie:
Er komt een uur – ja, het is er al –
dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen,
en die luisteren, zullen leven.
26 Zoals de Vader leven heeft in zichzelf,
zo heeft hij het ook aan de Zoon gegeven
leven te hebben in zichzelf,
27 en hij heeft hem de volmacht gegeven te oordelen,
omdat hij mensenzoon is.
28 Verwonder je er dus niet over
dat er een uur komt waarin de mensen in de graven zijn stem zullen horen
29 en er uit zullen trekken,
wie het goede gedaan heeft voor opstanding tot leven,
maar wie het kwade gedaan heeft voor opstanding tot oordeel.
30 Ik kan niets uit mezelf. Ik oordeel naar wat ik hoor.
En mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik niet míjn wil zoek,
maar de wil van de Vader die mij gezonden heeft.”
We naderen Pasen. Telkens in de buurt van de grote feesten lezen we meer uit het Johannesevangelie. Hij is immers ‘de theoloog onder de evangelisten’. Hij schrijft – al zo’n 2 generaties na Jezus’ dood – niet zozeer verhalen – laat staan historische verslagen – maar peilt naar het diepe mysterie van wie Jezus was.
Hier gaat het over Jezus’ eenheid met God. Dat er voor de Joden maar één God is, stond als een paal boven water. Het was al eeuwen hun ‘waarmerk’ tussen de andere volken. Die God noemden ze ook – zij het bijzonder schroomvol – Vader, ónze Vader. Maar volgens Johannes zei Jezus: “Míjn Vader,” wat voor de Joden dus teveel klonk als een vereenzelviging met God, wat voor hen onvoorstelbaar was.
Toch is Johannes stellig hierover en laat hij Jezus stevig verder gaan op dit thema. Voor de vroege Christenen was het duidelijk, ook al hadden ook zij moeite om het precies te verwoorden: Inderdaad, er is maar één God (daar zijn Christenen nooit een haarbreed van afgeweken), maar de eenheid tussen Jezus en God is dermate dat mag klinken: “Wat de Vader doet, doet de Zoon evenzo” (Joh.5,19), of: “Wie mij ziet, ziet de Vader.” (Joh.14,9)
Dinsdag (1/04/2025)
Joh.5,1-3a.5-16
1 Later was er een feest van de Joden
en Jezus ging op naar Jeruzalem.
2 In Jeruzalem nu, bij de Schaapspoort, is er een vijver,
die in het Hebreeuws Betesda/Bethzatha genoemd wordt,
en vijf zuilengangen heeft.
3 In die gangen lag altijd een groot aantal zieken, verlamden en verdorden.
5 Er was daar ook iemand die al achtendertig jaar ziek was.
6 Jezus zag hem liggen
en wetende dat hij daar al lang lag, vroeg hij hem:
“Is het je bedoeling gezond te worden?”
7 De zieke antwoordde hem:
“Heer, ik heb geen mens die,
wanneer het water in beroering komt,
mij in de vijver helpt,
en terwijl ik het zelf probeer, daalt een ander vóór mij erin af.”
8 Jezus zei tegen hem:
“Ontwaak! Neem je draagbaar en wandel!”
9 Onmiddellijk werd hij gezond, nam zijn draagbaar en wandelde rond. Die dag was een sabbat.
10 Daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat.
Het is je niet geoorloofd je draagbaar op te nemen.”
11 Hij antwoordde hun:
“Degene die mij gezond heeft gemaakt,
híj heeft mij gezegd: neem je draagbaar en wandel.”
12 Ze vroegen hem dus:
“Wie is die mens, die jou gezegd heeft ‘neem je draagbaar en wandel’?”
13 Maar de genezene wist niet wie het was.
Jezus had zich ondertussen teruggetrokken in de menigte.
14 Later vond Jezus hem in de tempel en zei hem:
“Kijk! Je bent nu gezond geworden.
Zondig [verwijder] je niet meer opdat er je niets ergers overkomt.”
15 De genezene ging weg en berichtte aan de Joden
dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.
16 Hierom begonnen de Joden Jezus te (ver)volgen
en zochten ze hem te doden,
omdat hij zo’n dingen deed op sabbat.
We kennen het onderhand wel wat, die o zo andere houding van Jezus t.o.v. de farizeeën – en dus ook de oproep te durven zien waar wij farizeïsch doen en meer op Jezus zouden kunnen gaan gelijken. Maar hier spant het wel de kroon! 38 jaar lang hebben ze niet naar de man omgekeken, en nu hij genezen is verwijten ze hem dat! Overigens: dat doen niet alleen de farizeeën, álle omstaanders – en dat zijn er wel wat op een publieke plaats in 38 jaar tijd! – laten de zieke man liggen (je zou ‘passend’ ook kunnen zeggen: vallen).
Het voornaamste wat Jezus anders doet is: hem zíen!, hem aanspreken, én werkelijk luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Dit ‘andere’, hoe gewoon het er ook uitziet, maar het is radicaal verschillend van wat ‘de omstaanders’ doen, geneest de man!
Het heeft hier al vaak geklonken: Ook wij kunnen vandaag mensen genezen! En het Jezus-recept is simpel: Zíe de mens met een vraag, een nood, rond je; wees zó nabij dat je hem of haar kunt aanspreken, op een toon die niet betuttelend is, maar louter mede-levend; en luister naar wat die werkelijk vertelt. Je zult verwonderd zijn van het ‘resultaat’!
Maandag (31/03/2025)
Joh.4,43-54
43 Na die twee dagen vertrok hij vandaar
[na de arrestatie van Johannes de doper, trok hij weg uit Judea, met een oponthoud in Samaria]
en ging naar Galilea,
44 hoewel hij zelf had betuigd
dat een profeet niet wordt geëerd in zijn eigen geboortestreek. [Mc.6,4]
45 Toen hij aankwam in Galilea
werd hij er toch verwelkomd,
want ze hadden alles gezien
wat hij in Jeruzalem op het [Paas]feest had gedaan
– ook zij waren op het feest.
46 Jezus kwam dus weer in Kana van Galilea,
waar hij het water tot wijn had gemaakt.
Er was een koninklijke beambte,
wiens zoon ziek lag in Kafarnaüm.
47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen,
ging hij naar hem toe [Kafarnaüm – Kana = ca. 26km]
en vroeg hem met aandrang naar zijn huis te komen
om zijn zoon te genezen die stervende was.
48 Jezus zei tegen hem:
“Jullie geloven alleen maar als jullie tekenen en wonderen zien!”
49 Maar de hofbeambte drong aan:
“Heer, kom toch, voor mijn kindje sterft!”
50 “Ga maar, zei Jezus, je zoon leeft.”
En de man vertrouwde het woord van Jezus
en ging naar huis.
51 Terwijl hij nog onderweg was,
kwamen knechten van hem tegemoet
en verkondigden: “Je kind leeft!”
52 Hij vroeg hen onmiddellijk naar het uur waarop de beterschap begon.
Ze zeiden: “Gisteren, op het zevende uur [= 1 u ’s middags]
werd hij vrij van de koorts.”
53 Nu (h)erkende de vader:
“Dat is het uur waarop Jezus zei: Je zoon leeft.”
En hijzelf en zijn hele huis kwamen tot vertrouwen.
54 Dit was het tweede teken dat Jezus daar weer deed,
toen hij van Judea naar Galilea kwam.
Het zou het overwegen waard zijn om in het eerste deel van dit Evangelie te onderzoeken hoe dat zit met dat al of niet verwelkomd worden van Jezus, zowel in Jeruzalem als in zijn geboortestreek Galilea. Met daarbij de altijd belangrijke vraag: en hoe staat het met míjn welkom heten van Jezus?
Maar we focussen op het tweede deel, waar iemand Jezus vraagt zijn zoon te genezen. Dat is niet zomaar een vanzelfsprekende vraag. De man was een koninklijke beambte, een hoge omes dus, die zich moest ‘verlagen’ om een gunst te vragen aan een doodgewoon iemand zonder status – erger nog: aan iemand van gecontesteerd allooi! Maar van die status trekt de man zich niets aan. Er is iets wat daar ver bovenuit gaat: zijn vaderschap. En het is die liefde en zorg die maakt dat zijn zoon weer opstaat.
Als wij nu eens, i.p.v. vanuit status, vanuit liefde en zorg met onze mede-mensen zouden omgaan, zou er dan niet meer heling en opstanding zijn onder allen die dat nodig hebben?
Zondag (30/03/2025) – 4de zondag van de Vastentijd
Lc.15,1-3.11-32
1 Wie echter dichterbij kwamen
om inderdaad te luisteren,
waren allemaal ‘tollenaars en zondaars’
[uitschot in andermans ogen].
2 De farizeeën en schriftgeleerden morden daarover:
“Die daar verwelkomt zondaars en eet met hen!”
3 Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
11 “Iemand had twee zonen.
12 De jongste zei tegen de vader:
“Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.”
En de vader verdeelde zijn bezit onder hen.
13 Niet veel later zamelde de jongste alles bijeen
en trok naar een ver land.
Daar vergooide hij zijn vermogen
met een reddeloos [asotèr / on-be-vrij-d] leven.
14 Toen hij nu alles uitgegeven had,
kwam er een zware hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
15 Hij ging op zoek en klampte zich vast aan een stedeling,
die hem naar zijn velden stuurde
om varkens te hoeden.
16 Hij wou zelfs zijn buik vullen
met de schillen die de varkens aten,
maar niemand gaf ze hem.
17 Daar kwam hij tot zichzelf en zei:
“Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed,
terwijl ik hier om kom van de honger?!
18 Ik zal opstaan,
naar mijn vader gaan en hem zeggen:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
19 Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.
Maak mij tot één van je dagloners.”
20 En hij stónd op
en ging naar zijn vader.
Toen hij nog ver weg was,
zag zijn vader hem al
en raakte ten diepste bewogen.
Hij snelde op hem af,
viel hem om de hals
en kuste hem hartelijk.
21 Nu zei de zoon tegen hem:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.”
22 Maar de vader zei tegen zijn knechten:
“Breng snel het voornaamste [= mijn] feestgewaad
en bekleed hem ermee,
geef hem een ring [= familie-zegelring] aan zijn hand
en sandalen aan zijn voeten [= zodat hij als vrij man kan gaan waar hij wil].
23 Breng het vetgemeste kalf en slacht het.
Laten we een feestmaal houden en blij zijn,
24 want deze zoon van mij was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren
en werd teruggevonden!”
En ze begonnen feest te vieren.
25 Nu was zijn oudste zoon op het veld.
Toen hij aankwam en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
26 Hij riep een van zijn knechten/jongens
en ondervroeg hem wat dat allemaal was.
27 Die zei nu tegen hem:
“Je broer is teruggekomen
en je vader heeft het vetgemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.”
28 Hij werd woedend en wilde onder geen beding binnenkomen.
Daarom kwam de vader naar buiten hem tegemoet
en probeerde hem over te halen.
29 Maar hij antwoordde zijn vader:
“Kijk! Al zoveel jaren sta ik jou ten dienste
en nooit heb ik een gebod van jou overtreden,
en aan míj heb je nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
30 En nu die zoon van jou,
die je vermogen heeft verbrast met hoeren,
teruggekomen is,
slacht je voor hém het vetgemeste kalf.”
31 Maar nu zei hij tegen hem:
“Mijn kind, jíj bent altijd bij mij,
en al wat van mij is, is van jou.
32 Maar er moet feest en blijheid zijn,
want die broer van jou was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren en werd teruggevonden!””
Dit verhaal over een vader met twee zonen – een losbandige, en een die voorbeeld is van trouw – doet mij ten volle beseffen dat G-d liefde is en dus promotor van vrijheid. Zonder vrijheid is er geen echte liefde mogelijk.
De vader respecteert de vrijheid van zijn jongste zoon, zelfs als deze schaamteloos zijn erfdeel opvraagt terwijl zijn vader nog leeft. Het is alsof hij tegen zijn vader zou zeggen: "Je sterft niet snel genoeg!". Uit absoluut respect voor de vrijheid van de zoon, doet de vader niets om hem tegen te houden, zelfs als hij zijn erfdeel zal verkwisten aan meisjes van lichte zeden. Kan er een meer prominent beeld geschetst worden van G-ds respect voor de vrijheid van de mens? Dat respect is zó groot dat het zélfs de mogelijkheid openlaat voor een terugkeer, en uiteindelijk voor de erkenning van zijn vaderlijke liefde.
G-ds respect voor de vrijheid is geen onverschilligheid, maar liefde die blijft hopen … Jezus, die omgaat met wie uit de maatschappij gesloten is, drukt die hoop uit.
Zaterdag (29/03/2025)
Lc.18,9-14
9 Met het oog op sommigen
die van zichzelf vertrouwden dat ze integer waren
en neerkeken op de rest,
vertelde Jezus nu deze gelijkenis:
10 “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.
De ene was een farizeeër, de andere een tollenaar.
11 De farizeeër ging staan en bad over zichzelf:
“God, ik dank je
dat ik niet ben zoals de andere mensen:
grijpgraag, onrechtvaardig, overspelig, …
of zoals die tollenaar.
12 Ik vast twee maal per week
en ik sta een tiende van al mijn inkomsten af.”
13 De tollenaar bleef op een afstand staan,
hief zelfs zijn ogen niet naar de hemel,
maar sloeg zich op de borst:
“God, wil je verzoenen met mij, zondaar die ik ben.”
14 Ik zeg jullie:
Híj keerde naar huis terug integer geworden,
en niet de ander.
Want ieder die zichzelf groter maakt,
zal kleiner worden,
en wie zichzelf kleiner maakt,
zal groter worden.”
De laatste paragraaf van dit Evangelie is in Jezus ten volle tot uiting gekomen. In de Filipenzenbrief (Fil. 2,6-9) wordt dit prachtig beschreven:
Hij was als G-d in ons midden, (...)
Nooit echter liet hij zich daar op voorstaan;
Hij ontledigde zich,
werd als een knecht,
werd mens onder de mensen.
Als mens verschenen heeft hij zich vernederd,
gehoorzaam tot in de dood, (...)
daarom heeft G-d hem verhoogd,
en hem de naam gegeven, die iedere naam te boven gaat.
Misschien is dit stukje tekst al meer dan voldoende om vandaag op door te denken. Zijn we bereid om ons tot die levenshouding om te keren?