Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

Tik Joh. 1,25 
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Lc.5,33-39 (6/09/2024)

33     Ze [de farizeeën en schriftegeleerden] zeiden hem nu:
       “De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en doen gebeden,
       en ook de leerlingen van de farizeeën doen dat,
       maar die van jou eten en drinken!”
34     Jezus antwoordde hen:
       “Je kunt de bruiloftsgasten toch niet doen vasten
       zolang de bruidegom bij hen is?!
35     Er zullen dagen komen …
       Wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn,
       dan zullen zij vasten, in die dagen.”

36     Hij vertelde hen ook een gelijkenis:
       “Niemand scheurt een lap van een nieuw kleed
       om op een oud kleed te zetten.
       Anders scheurt hij immers én het nieuwe én het oude,
       en de lap van de nieuwe zal niet passen bij de oude.
37    En niemand doet jonge wijn in oude zakken,
       anders doet de jonge wijn de zakken barsten,
       waardoor de wijn zal wegvloeien en de zakken verloren gaan.
38    Nee, jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan
       (zo worden beide bewaard).
39    En niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge.
       Want hij zegt dat de oude beter [/milder] is.”

Jezus' gelijkenissen zijn niet bedoeld om alles wat traditioneel is bij het grofvuil te zetten. Maar wanneer oude vormen onbespreekbaar worden of nieuwe vormen de norm, wordt de verpakking zo poreus dat de ingegoten wijn zomaar wegloopt.
Het gaat niet om de vorm, maar om de inhoud. Door de eeuwen heen zien we: hoe minder het geloof draait om G-d, des te meer men leunt op uiterlijkheden. Men klampt zich vast aan die vertrouwde oude liturgie, of blijft mopperen zolang men niet vermaakt wordt volgens de eigen hedendaagse emotionele behoeften. Zo wordt men chagrijnig en bekrompen. Maar Jezus gunt ons iets beters!
Daarom gebruikt hij het beeld van zichzelf als de bruidegom en zijn discipelen als de bruiloftsgasten. Het is een feestelijk, vreugdevol beeld. Ons geloof en onze Kerk zijn immers fundamenteel een 'Blijde Boodschap' die gevierd mag worden.
Een uitdaging dus om telkens weer op zoek te gaan naar leven-gevende, nieuwe wegen om het oude Woord in onze cultuur vorm te geven.

Lc.6,12-19 (10/09/2024)

12    Het gebeurde nu in die dagen
       dat hij wegtrok naar de berg om te bidden.
       Hij was de hele nacht door in gebed van God.
13    Toen het dag werd, riep hij zijn leerlingen bij zich
       en koos er twaalf uit
       die hij afgezanten [apostolos] noemde:
14    Simon, die hij ook rots [petros] noemde,
       en zijn broer Andreas,
       Jakobus en Johannes,
       Filippus en Bartolomeüs,
15    Matteüs en Tomas,
       Jakobus [de zoon] van Alfeüs
       en Simon die de ijveraar [zeloot] genoemd werd,
16    Judas van Jakobus
       en Judas, de man van Keriot, die een verrader werd.

17    Toen hij met hen de berg was afgedaald,
       bleef hij staan op een vlakke plaats.
       Een groot aantal van zijn leerlingen
       en een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem
       en van de kuststreek van Tyrus en Sidon,
       waren gekomen om hem te horen
       en van hun ziekten te worden genezen.
18    Ook wie belast was met nog niet gereinigde geesten,
       werden geheeld.
19    Heel de menigte zocht hem aan te raken,
       want er ging een dynamiek van hem uit
       die allen genas.

‘Er ging een dynamiek van hem uit …’ Maar hoe zit het met die dynamiek vandaag? Zijn er nog mensen die zich willen laten raken door zijn woorden en daden? Gaat er nog steeds een dynamiek van hem uit?
Het antwoord hierop dat vanuit het Evangelie van vandaag klinkt, gaat twee richtingen uit: de richting van mensen en de richting van G-d.
Jezus kan/wil niet zonder mensen, daarom roept hij zijn leerlingen. Hij heeft mensen nodig om zijn dynamiek door te geven.
De andere richting is die van G-d.
Voor elke belangrijke beslissing, zoals hier, trekt Jezus zich terug om te bidden. Geloof dat telkens opnieuw uitgedaagd wordt door wat er in de wereld gebeurt, moet steeds weer gevoed worden. Daarvoor is gebed – in de ruime zin van het woord – nodig; gebed als een tweespraak tussen jou en je diepste wezen, tussen jou en G-d.
Alleen door de intense wisselwerking tussen mens en G-d word je een goddelijk mens, want bidden is stil worden tot je zelf ‘stilte’ wordt, en in die stilte G-d laten spreken. Bidden is de oproep horen om liefdevol naar mensen toe te gaan en om samen in zijn dynamiek verder te gaan.

Lc.6,20-26 (11/08/2024)

20    Hij keek op naar zijn leerlingen en zei:
       “Gezegend wie leeft in [de geest van] armoede [Gr.: ptoochoi = Hebr.: anawim, de levenshouding om in armoede en nederigheid het                     leven in Gods hand te leggen],
       ja, van jullie is het koningschap van God.
21    Gezegend wie nu hongeren,
       ja, jullie zullen verzadigd worden.
       Gezegend wie nu weeklagen,
       ja, jullie zullen lachen.
22    Gezegend zijn jullie als de mensen je haten,
       je buitensluiten, je smaden
       en je naam verwerpen als iets slechts,
       omwille van de mensenzoon.
23    Op die dag: spring op van vreugde!
       Want kijk: groot is jullie loon in de hemel,
       want hetzelfde deden hun voorvaderen met de profeten.

24    Maar wee jullie rijken,
       ja, je vertroosting heb je al.
25    Wee jullie die voldaan zijn,
       ja, jullie zullen hongeren.
       Wee jullie die nu lachen,
       ja, jullie zullen treuren en weeklagen.
26    Wee jullie als de mensen jullie mooipraten,
       want hetzelfde deden hun voorvaderen met de valse profeten.

In deze Lucas-versie van de zaligsprekingen, houdt Jezus zijn leerlingen een spiegel voor. Ja, er is veel zegen weggelegd – en vreugde en verzadiging; maar óók ja, er is veel wee weggelegd – en honger en treurnis. Welk spoor zal de Jezus-leerling volgen – welk spoor zal ikzelf volgen?
De vraag is niet zo moeilijk; het antwoord, als we eerlijk zijn met onszelf, eigenlijk ook niet zo; wél moeilijk is de richting van het koningschap van G-d ook daad-werkelijk te gáán.
Iedereen is in wezen arm en klein. Maar hoe zal ik daarmee omgaan? Zal ik mij groot maken ten koste van de mensen om mij heen, of zal ik mijn kleinheid toevertrouwen aan G-ds grootheid?
Iedereen heeft honger. Maar waarmee zal ik mij voeden? Zal ik mij volproppen om mijn onvoldaanheid niet meer te voelen, of mag G-ds levende Brood mijn leven leiden?
Iedereen kent wel eens tegenkantingen. Maar wat is de reden daarvoor? Omdat ik me tegen de mensen kant, of omdat ik consequent een verstrekkende boodschap van liefde breng?
Opspringende vreugde zal ons deel zijn, als wij de weg van G-d durven gaan! Een treurig bestaan zal ons deel zijn, als wij dat niet doen …

Lc.6,27-38 (12/09/2024)

27    Maar tegen jullie zeg ik:
       “Heb je vijanden daad-werkelijk lief.
       Doe goed aan wie jou haat.
28    Zegen wie jou vervloekt.
       Bid voor wie jou smalend behandelt.
29    Aan wie jou op de wang slaat,
       hou hem ook je andere wang voor.
       Aan wie jouw mantel afneemt,
       weiger hem niet je hemd.
30    Aan ieder die vraagt: geef,
       en van wie iets van jou wegneemt: vraag niet terug.
31    Zoals je wil dat de mensen aan jou doen,
       doe dat zó aan hen!
32    Als je [enkel] liefhebt wie jou liefhebben,
       wat voor genade is dat?
       Want ook de zondaars hebben lief wie hen liefhebben.
33    Als je enkel goed doet aan wie jou goed doen,
       wat voor genade is dat?
       Want ook de zondaars doen hetzelfde.
34    Als je enkel uitleent aan hen van wie je hoopt terug te krijgen,
       wat voor genade is dat?
       Want ook de zondaars lenen aan zondaars
       om hetzelfde terug te krijgen.
35    Nee, daarentegen!
       Heb je vijanden daad-werkelijk lief.
       Doe goed en leen uit,
       zonder iets terug te verwachten.
       Dan zal je loon groot zijn
       en zijn jullie kinderen van de Allerhoogste!
       Want hij doet ook goed [chrèstos = goed, mild, teder, genadevol (cf. Hebr. chesed)]
       voor de ondankbaren en verdwaasden.

36    Word mede-lijdend
       zoals ook jullie Vader mede-lijdend is.
37    Oordeel niet
       en je zult niet geoordeeld worden.
       Veroordeel niet
       en je zult niet veroordeeld worden.
       Spreek vrij
       en je zult vrijgesproken worden.
38    Geef
       en er zal je gegeven worden.
       Een goeie maat zullen ze je in de schoot werpen,
       geschud, aangestampt en overlopend.
       Want met de maat waarmee jullie meten,
       zul je ook gemeten worden.”

We lezen verder in de Lucas-versie van wat we meestal bij Matteüs de bergrede noemen. Het wordt ook wel ‘het manifest van de Christen’ genoemd. Het bevat inderdaad een opsomming van handelwijzen die eigen zouden moeten zijn aan een Christen.
‘Zouden moeten’ … Het wordt echter al snel duidelijk dat de lat bijzonder hoog ligt en dat wij dat zelden halen. Moeten we dat ‘manifest’ dan maar laten voor wat het is en het afwijzen als misschien wel mooi maar onhaalbaar, zoals vele mensen vandaag doen, óók wie zich Christen noemt?
Dat zou erg jammer zijn en de bijzondere waarde van de Christelijke handelwijze inderdaad helemaal doen verdwijnen.
Als we dit ideaal moeilijk vinden, moeten we het niet afwijzen, maar twee dingen tegelíjk doen: Enerzijds gewoon blijven proberen, beseffend dat we alleen maar ‘op weg’ kunnen zijn. En anderzijds – tegelijk dus – heel goed beseffen dat wij dit nooit op éigen kracht kunnen, omdat het Góds werk is, niet het onze!
Vandaag een nieuwe dag om minstens enige van de Christelijke handelwijzen in de kracht van G-ds Genade toch wel waar te maken …

Lc.7,11-17 (17/09/2024)

11    De volgende dag trok hij naar een stad die Naïn heet. [ca. 40km ZW van Kafarnaüm]
       Zijn leerlingen en een grote menigte trokken met hem mee.
12    Toen hij de poort van de stad naderde,
       – kijk! – werd er een overledene uitgedragen,
       de enige zoon van zijn moeder
       en zij was weduwe.
       Een grote menigte uit de stad was bij haar.
13    Toen de Heer haar zag,
       werd hij innerlijk diep bewogen om haar
       en zei haar: “Ween niet.”
14    Hij kwam naderbij
       en raakte de kist aan. [open kist/draagbaar  onrein]
       De dragers hielden halt.
       Hij zei: “Jongeling, ik zeg je, sta op.”
15    De dode ging overeind zitten
       en begon te spreken,
       en hij gaf hem terug aan zijn moeder. [1Kon.17,23; cf. Joh.19,26-27]
16    Ontzag greep allen aan
       en zij bleven God loven:
       “Een groot profeet is onder ons opgestaan!” en
       “God heeft daad-werkelijk omgezien naar zijn volk!”
17    Dit woord over hem
       ging rond in heel Judea en omstreken.

“Kijk!”, staat er her en der in het Evangelie. Misschien is het niet zo’n onschuldig woordje als het lijkt. Begint het er niet allemaal mee met te zien of niet te zien – of juister: te wíllen zien of niet te willen zien?
Durven wij écht met open ogen door de straat wandelen? Mensen lijken meester in het wegkijken van de miserie van een ander, en zelfs sterker nog: ze leven werkelijk alsof die miserie van een ander niet bestaat.
Jezus is duidelijk een ánder soort mens – en ik in zijn spoor? Als hij door de straat wandelt, ziet hij wat er met mensen gaande is en hoe ze daaronder lijden. Doorheen al of niet kleine uiterlijke gebeurtenissen ziet hij de innerlijke beleving van de betrokken mensen. En hij zíet het niet alleen, hij gaat er ook op in.
En dát is nu waaraan de mensen herkennen dat G-d daad-werkelijk omziet naar zijn volk! Dát is waaraan ze Jezus als profeet herkennen! Zijn Christenen dan niet geroepen om wat meer te kijken? Wat meer te zíen? Wat meer op de innerlijke nood van de mensen in te durven gaan? Wat meer in hun eigen leven waar te maken dat G-d daad-werkelijk omziet naar zijn volk?

Lc.7,31-35 (18/09/2024)

31    Jezus zei:
       “Waarmee zal ik deze generatie vergelijken?
       Waar lijken ze op?
32    Ze zijn als kinderen die op de markt zitten
       en elkaar toeroepen:
       ‘Wij spelen voor jullie op de fluit, maar je danst niet.
       Wij zingen voor jullie een klaaglied,
       maar je weent niet!’
33    Zie je?
       Johannes de Doper is gekomen,
       hij eet geen brood en drinkt geen wijn,
       en jullie zeggen: ‘Hij is van een demon bezeten.’
34    De mensenzoon is gekomen,
       hij eet en drinkt wel,
       en jullie zeggen: ‘Kijk eens naar die vreter en zuiper,
       die vriend van tollenaars en zondaars.’

35    Wijsheid wordt als waar erkend
       door allen die haar kinderen zijn.”

Als we eerlijk het Evangelie willen lezen, moeten we ons ook de vraag durven stellen hoe Jezus naar ónze generatie zou kijken.
Zal hij ook een stel wispelturige en nukkige kinderen zien die ruziën onder elkaar omdat de ander niet doet wat ík wil?
Zal hij ook mensen zien die als een windhaan meedraaien met vanwaar de wind nu toevallig komt? Lopen we niet al te makkelijk mee met wat ‘men’ (in ons geval is dat dan vaak de media) zegt?
Of zal hij wijsheid in ons vinden? Hebben we onderhand geleerd onze blik en ons oordeelskompas zo te richten dat we standvastig het spoor van G-d weten te vinden en te gaan?
Laten we de markt van het kinderachtige spel (eindelijk!) verlaten en kinderen van G-d worden die wijsheid najagen.

Subcategorieën