Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Mc.1,14-20 (13/01/2025)
14 Maar nadat Johannes gevangen genomen was,
ging Jezus naar Galilea
en verkondigde hij de bevrijdende boodschap
van het koningschap van God:
15 “De tijd is vervuld
en het koningschap van God is dichtbij gekomen.
Keer je innerlijk om
en vertrouw op deze bevrijdende boodschap.”
16 Rondwandelend langs het meer van Galilea
zag hij Simon en zijn broer Andreas,
die netten aan het uitwerpen waren in het meer
– zij waren namelijk vissers.
17 “Kom, mij achterna, riep Jezus hen,
en ik zal je doen groeien tot vissers van mensen!”
18 Onmiddellijk lieten zij hun netten los en volgden hem.
19 Een beetje verder gaande zag hij Jakobus,
de zoon van Zebedeus,
en zijn broer Johannes.
Ze waren in hun boot de netten aan het herstellen.
20 Onmiddellijk riep hij hen
en lieten zij hun vader in het schip met de dagloners los
en gingen weg, hem achterna.
Wat Marcus over Jezus te vertellen heeft, is een blijde boodschap, een boodschap van bevrijding. Het eerste woord dat Jezus tot ons spreekt, is heel markant: “Keer je om en geloof in het Evangelie.” Het bevat een dubbele oproep: je omkeren en je toevertrouwen aan het Evangelie!
Wanneer Jezus Simon en Andreas aanspreekt, laten zij onmiddellijk hun netten achter en volgen hem. Ook Jakobus en Johannes reageren op dezelfde wijze. Ze gaan, zonder vragen, zonder enige aarzeling, geen tijd om te overdenken. Ze vertrekken en laten alles achter. Ze hadden ook de keuze om ‘neen’ te zeggen, maar ze kiezen ervoor zich om te keren: weg van het vertrouwde naar Jezus toe. Eenmaal ‘ja’ gezegd, begint hun avontuur met Jezus. Ze vertrouwen zich toe aan hem en gaan mee in het perspectief dat hij hen biedt. Ze staan open om vanaf dat moment de weg met Jezus te gaan – een weg van bevrijding.
Diezelfde oproep wordt ook vandaag tot ons gericht: keer je om en vertrouw je toe aan het Evangelie. Laat het Woord je in beweging brengen.
Mc.1,21-28 (14/01/2025)
21 Ze trokken binnen in Kafarnaum
en onmiddellijk ging hij op de sabbatdagen
de plaats van samenkomst [synagoge] binnen
en gaf onderricht.
22 Zij waren buiten zichzelf van verbazing door zijn onderricht,
want hij onderrichtte als een gezaghebbende,
en niet zoals de boekgeleerden.
23 Onmiddellijk was er in hun plaats van samenkomst
een mens met een nog niet gereinigde geest die krijste:
24 “Jij daar, wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazareth!?
Ben je gekomen om ons te vernietigen?
Ik weet wel wie jij bent: de heilige van God!”
25 Maar Jezus ging kordaat tegen de geest in
met enkel te zeggen:
“Gemuilkorfd! Ga uit hem weg!”
26 De nog niet gereinigde geest deed de man stuiptrekken
en met luide stem krijsend ging hij weg uit hem.
27 Allen stonden zo perplex
dat ze onder elkaar discussieerden:
“Wat is dat allemaal?
Wat is dat voor een onderricht
dat met gezag zelfs de nog niet gereinigde geesten beveelt
en dat ze hem gehoorzamen?”
28 En onmiddellijk verspreidt dit ongehoorde over hem
zich naar heel het ommeland van Galilea.
Ook wij kunnen de vraag van de bezetene tot de onze maken: “Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth?” “Wat heb ik met jou, Jezus?”
Wanneer deze vraag écht in ons mag doorklinken, zullen we steeds meer ons leven willen afstemmen op hem die geheel en al is afgestemd op G-d. Als we dan horen wat hij zegt en zien wat hij doet, merken we dat hij de schreeuwende man niet uit de weg gaat. Integendeel! Hij gaat op hem af. Hij confronteert de krijsende geesten, de tegenkrachten, met de ondubbelzinnigheid van het geliefd zijn door G-d.
Zo gaat Hij ons voor. Hij legt stemmen die spreken van nietswaardigheid, die het leven afbreken en ondermijnen, het zwijgen op. “Zwijg en ga uit hem weg!” Hij laat geen ruimte voor discussie en doet geen enkele poging om iemand te overtuigen. Er is slechts die liefde en een heilige, zuivere woede om werkelijk boze geesten uit te drijven door een enkel woord: “Zwijg!”
Het is niet voor niets dat het verbijstering opriep in Kafarnaüm en dat mensen perplex stonden voor deze nieuwe leer met groot gezag.
Mc.1,29-39 (15/01/2025)
29 Onmiddellijk daarna gingen zij naar buiten,
weg uit de plaats van samenkomst,
en gingen naar binnen in het huis van Simon en Andreas,
samen met Jakobus en Johannes.
30 Maar Simons schoonmoeder lag neer, gegrepen door koorts.
Onmiddellijk spaken zij hem over haar.
31 Hij ging naar haar toe,
nam haar bij de hand en richtte haar op.
Onmiddellijk verliet de koorts haar
en zorgde zij voor hen.
32 Toen de zon was ondergegaan en de sabbat ten einde,
brachten ze hem al wie erg zwak was of bezeten.
33 Heel Kafarnaum kwam samen bij de deur
34 en hij heelde velen die erg zwak waren door allerlei lijden
en wierp veel demonen naar buiten,
maar hij liet niet toe dat de demonen van hem getuigden.
35 Heel vroeg in de morgen, toen het nog donker was,
stond hij op en ging weg naar een eenzame plaats,
om daar te bidden.
36 Simon en wie bij hem waren, gingen hem achterna.
37 Toen ze hem gevonden hadden,
zeiden ze tegen hem: “Iedereen zoekt je!”
38 Hij antwoordde hen:
“Laten we naar ergens anders gaan,
naar de omliggende dorpen,
zodat ik ook daar kan verkondigen.
Dat is immers waarom ik op weg ben gegaan.”
39 Zo ging hij verkondigen
in de plaatsen van samenkomst [synagoge] in heel Galilea,
en dreef demonen uit.
Jezus had iets met zieken, van wat voor soort ook. Zijn bekommernis om mensen doet zijn hart naar hen uitgaan, en zij ‘voelen’ dat. Ze merken dat daar eindelijk iemand is die écht om hen geeft als vol-waardig mens en naar hen omziet. En daarom willen ze bij hem zijn en zoeken ze hem.
Toch is het niet Jezus’ eerste bedoeling zieken te genezen. Zijn eerste taak is de verkondiging van de nabijheid van G-d. Maar hij doet wel het één via het andere – in beide richtingen! (– Denk hier maar even over na! –)
Hebben die genezen zieken dat begrepen? Soms wel, soms niet. We lezen het beide in het Evangelie. Jezus strooit zijn Go(e)dheid gul onder de mensen, wat ze er ook eventueel ‘maar’ van begrijpen. Want ook dát is verkondiging, niet alleen genezing, maar ook gulle goedheid, als ze maar in-gebed zijn in een diepe verbondenheid met de Vader, die blijkbaar vooral in de eenzaamheid en de stilte van het gebed gevoed wordt.
Ook de genezing en goedheid die wíj aan anderen brengen, als ze in-gebed is, brengt G-d nabij; zo worden ook wíj verkondigers …
Mc.1,40-45 (16/01/2025)
40 Er kwam ook een melaatse bij hem.
Die knielde voor hem neer en smeekte:
“Als je het wil, ben je in de kracht mij te reinigen!”
41 En Jezus, ten diepste bewogen,
strekte zijn hand uit en raakte hem aan:
“Ik wil: word gereinigd!”
42 Onmiddellijk verdween zijn melaatsheid
en werd hij gereinigd.
43 Onmiddellijk stuurde Jezus hem weg,
hem streng toesprekend:
44 “Let op dat je aan niemand iets zegt,
maar ga [naar de tempel in Jeruzalem]
en laat je zien aan de priester
en offer voor je reiniging
wat Mozes heeft geboden,
als een getuigenis voor hen.
45 Eenmaal buiten, begon de man het echter luid te verkondigen
en ruchtbaarheid te geven aan de zaak,
zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen,
maar buiten, op eenzame plaatsen, verbleef.
Toch kwamen ze overal vandaan bij hem.
We hadden vorige vrijdag nog maar de Lucasversie van dit verhaal. Daar legden we het accent op ‘niet de éigen wil laten primeren, maar G-ds wil’, zowel voor de melaatse als voor Jezus. Vandaag kijken we even naar de onmogelijke opdracht die Jezus de man meegeeft níet te spreken over zijn genezing.
Vraagt Jezus hem níet te spreken? Eigenlijk niet. Hij vraagt hem éérst te spreken tegen G-d, m.a.w. aan G-d zijn dankbaarheid te laten blijken. Zijn genezing zou voor de rest wel vanzelf spreken. Maar hoezeer de melaatse ook inderdaad G-ds wil zoekt, de dankbaarheid om wat hij gevonden heeft mag niet ontbreken om het volledig te maken!
Het gebeurt o zo vaak … We vragen wat aan G-d – en dat mag duidelijk wel, we mogen wel degelijk zijn wil zoeken – maar dánken we hem ook om wat we gevonden/gekregen hebben? We keren ons tot hem met onze vragen, maar keren we ook naar hem terug met onze dankbaarheid? – dat zou nog het sterkste getuigenis zijn!
Mc.2,1-12 (17/01/2025)
1 Toen hij na een aantal dagen weer in Kafarnaüm kwam,
hoorde men dat hij thuis was.
2 Onmiddellijk verzamelden zich zovelen
dat er geen ruimte meer overbleef, zelfs niet voor de deur.
En hij richtte het woord tot hen.
3 Men bracht een verlamde bij hem
die door vier mannen gedragen werd.
4 Door de menigte vonden ze echter geen mogelijkheid
hem dichter bij Jezus te brengen.
Daarom namen ze op de plaats waar hij was de dakbedekking weg
en lieten de baar waarop de verlamde lag door het gat zakken.
5 Bij het zien van hun vertrouwen,
zei Jezus tegen de verlamde:
“Kind, je zonden zijn je vergeven.”
6 Er zaten daar enkele schriftgeleerden.
Die dachten in zichzelf:
7 “Wat zegt die daar? Dat is lasterlijk!
Wie kan zonden vergeven behalve God alleen?”
8 Onmiddellijk onderkende Jezus in zijn geest
dat zij zo in zichzelf redeneerden
en hij zei tegen hen:
“Waarom redeneer je zo in je hart?
9 Wat is gemakkelijker tegen de verlamde te zeggen:
‘je zonden zijn je vergeven’ of
‘sta op, neem je draagbaar en loop’?
10 Welnu, zodat jullie zouden weten
dat de mensenzoon volmacht heeft
op aarde zonden te vergeven,
ik zeg je – zei hij nu tegen de verlamde:
11 Sta op, neem je draagbaar en ga naar huis.”
12 Onmiddellijk stond hij op, nam de draagbaar
en ging voor de ogen van allen naar buiten,
zodat allen verbaasd waren en God verheerlijkten:
"Zoiets hebben wij nog nooit gezien!”
In dit gebeuren kijken we nogal spontaan naar het bijzondere ervan. Een lamme weer laten lopen, is niet niks. En ook het vertrouwen en de inzet van die vrienden, is ook niet niks.
Tussen al dat bijzondere staat hier echter ook iets te lezen wat helaas erg alledaags is, nl. het verschil in manier van kijken van Jezus en van de farizeeën. Jezus heeft oog voor de mooie kant (het vertrouwen dat spreekt uit het gebeuren); de farizeeën blijven haperen aan het negatieve (“dat is lasterlijk”). – Geef toe dat het gemakkelijker kijken naar het negatieve dan naar het positieve, iets alledaags is, ook in ons eigen leven!
We komen dus al een stuk dichter bij het navolgen van Jezus als we er uitdrukkelijk en daad-werkelijk voor kiezen méér oog te hebben voor het positieve, en dát meer naar de voorgrond halen. Je kunt je oog erop trainen in wat voor situatie ook het mooie, positieve, opbouwende, … ‘Go(e)de’ te zien!
Als hij ons zo bezig ziet, zal Jezus warm glimlachen en ons zeggen: “Kind, je zonden zijn je vergeven!”
Mc.2,13-17 (18/01/2025)
13 Daarna ging Jezus opnieuw langs het meer.
Een hele menigte kwam bij hem en hij gaf hen onderricht.
14 Verder gaande, zag hij Levi, [de zoon] van Alfeüs bij het tolhuis zitten.
“Volg mij”, zei hij tegen hem
en hij stond op en volgde Jezus.
15 Jezus ging in op zijn uitnodiging voor een afscheidsmaal.
En kijk: Veel tollenaars en zondaars kwamen ook
en lagen mee aan tafel met Jezus en zijn leerlingen.
Ze waren met velen en ze volgden hem.
16 Toen de schriftgeleerden en farizeeën zagen
dat hij at met tollenaars en zondaars,
zeiden ze tegen zijn leerlingen:
“Waarom eet en drinkt hij met tollenaars en zondaars?”
17 Jezus hoorde dit en zei tegen hen:
“Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken.
Niet om rechtvaardigen te roepen, ben ik gekomen, maar zondaars.”
Oef! Wat een geluk dat Jezus “niet gekomen is om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars”, anders was ik er wellicht niet bij! Wie kan nu zeggen dat hij geheel ‘rechtvaardig’ is? Je kunt natuurlijk wel dénken dat je rechtvaardig bent, en dat zodanig denken dat je het nog zelf gelooft ook! – En dat is zeker geen privilege voor farizeeërs. Het is een houding die we vandaag zeer ruim verspreid zien, en die we ook moeten durven onderzoeken bij onszelf.
Jezus klaagt nooit farizeeën aan als concrete mensen, maar als die ‘farizeïsche houding’, en deze is dus blijkbaar hardnekkig, want na 2000 jaar is ze nog steeds zeer levendig aanwezig. Bést dus dat Jezus …
En nog een opluchting is dat hij dat ‘roepen van zondaars’ nogal eens laat gebeuren … aan tafel! Meer dan eens zien we Jezus met mensen van allerlei slag aan tafel gaan. Het is blijkbaar een goede plek om zó aandacht te hebben voor iemand dat die niet alleen fysiek gevoed wordt, maar ook innerlijk gesterkt om zijn/haar leven een andere wending te geven.