Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Mc.2,23-28 (21/01/2025)
23 Op zekere sabbat liep Jezus door korenvelden.
Zijn leerlingen plukten al gaande aren.
24 De farizeeën zeiden tegen hem:
“Kijk! Waarom doen zij iets wat op sabbat niet mag?”
25 Hij antwoordde:
“Hebben jullie nooit kennis genomen van wat David deed toen hij gebrek leed
en hij en zijn metgezellen honger kregen? [1Sam.21,1-6]
26 Hoe hij – ten tijde van de hogepriester Abjatar –
het huis van God binnenging en de uitstallingsbroden opat,
die niemand mag eten behalve de priesters,
en hoe hij ze ook gaf aan zijn metgezellen?”
27 “De sabbat is er voor de mens,
en niet de mens voor de sabbat.
28 Zo is de mensenzoon heer, ook van de sabbat.
Over vrijheid en heer-lijkheid.
Heer-lijk toch hoe Jezus in waarachtige vrijheid weet om te gaan met ‘de wet’ (= alle geschreven en ongeschreven regels). En heer-lijk toch hoe vrij-makend dat is voor de mensen die hem zo ontmoeten.
We schrijven heer-lijk met koppelteken. Het gaat Jezus echt niet om een ‘happy clappy-leventje’ waar je je van niets zou moeten aantrekken en alleen doen waar je zin in hebt. Het gaat om een leven als ‘heer’, en dat mogen we tegelijk begrijpen als voornaam, correct, met eerbied naar mensen en dingen (én wetten), én ook als ‘soeverein’. Hij laat zich niet dicteren door mensenwetten, maar heeft alleen zijn G-dgerichtheid als kompas.
Dát is echte vrijheid! Vrijheid is níet: alles doen waar je zin in hebt. Waarachtige vrijheid is: je door niets laten tegenhouden (ook geen ‘wet’ dus) om te doen wat je moet doen.
Het klinkt simpel, maar het is het niet! Probeer maar. Het vraagt een voortdurend innerlijk afwegen én een grote durf (‘lev’). Het levert je wel een heer-lijke wandeling door de korenvelden van het leven op in de vrijheid van de kinderen G-ds!
Mc.10,17-27 (3/03/2025)
17 Toen hij weer op weg was,
haastte zich iemand naar hem toe [volgens Matteüs een adolescent].
Die viel voor hem op de knieën en vroeg:
“Goede meester,
wat moet ik doen om deel te krijgen aan het volle leven?”
18 Maar Jezus zei hem:
“Wat noem je mij goed? –
niemand is goed behalve één: God.
19 Je kent de wijzingen:
je zult niet doden,
je zult niet stelen,
je zult niet vals getuigen,
je zult niet beroven,
eer je vader en je moeder.”
20 Maar hij antwoordde hem:
“Meester, al deze dingen heb ik in acht genomen
van zodra ik ze leerde kennen.”
21 Jezus keek hem aan en had hem lief.
Hij zei: “Aan één iets heb je nog tekort:
ga, verkoop wat je hebt, en geef het aan wie tekort heeft.
Zo zul je een schat hebben in de hemelen,
en kom dan: volg mij!”
22 Hij werd droevig om dat woord
en ging verdrietig weg – hij had veel bezittingen …
23 En rond kijkend zei Jezus tegen zijn leerlingen:
“Hoe moeilijk is het
om het koningschap van God binnen te gaan
voor wie heeft wat hij meent nodig te hebben.”
24 De leerlingen waren verbaasd over zijn woorden,
maar Jezus zei opnieuw:
“Kinderen, wat is het moeilijk
om het koningschap van God binnen te gaan
voor wie vertrouwt op wat hij heeft.
25 Makkelijker is het
voor een kameel door het oog van de naald binnen te gaan
dan voor een rijke in het koningschap van God.”
26 Zij waren enorm verbaasd en vroegen onder elkaar:
“Wie kan dan bevrijd worden?”
27 Maar Jezus keek hen aan [met dezelfde blik als naar de adolescent] en zei:
“Bij mensen is dit onmogelijk, maar niet bij God;
want bij God is alles mogelijk!” [Gen.18,14]
De vraagsteller is een zeer rechtgeaard man, die het bijzonder ernstig meent met zijn religieus en sociaal leven. Van jongs af aan heeft hij de geboden zo goed mogelijk toegepast.
Daarom nodigt Jezus hem uit de volgende stap te zetten. ‘Doen wat moet’ is één ding – een belangrijk ding!; ‘doen wat daaraan surplus is’, omwille van een ‘surplus’ aan liefde voor G-d, dát is waar Jezus hem toe uitnodigt, zeg maar uitdaagt!
We horen het niet zo graag, maar eigenlijk zijn wij meestal zoals die man (áls we al zo goed zijn!). Wij doen – in het beste geval – wat moet. Maar is er in ons ook een surplus? Doet onze liefde voor G-d ons ook overvloeien voorbíj wat de wet voorschrijft? Net zoals de man in het Evangelie zijn wij daar bang voor. Wij zijn bang dat we er zelf zullen bij inschieten.
Dát is nu echter de uitdaging van heel Jezus’ ‘bevrijdende boodschap’: dat wij de angst van het minimalistische gebod zouden laten varen, voor de vreugde van de overvloeiende liefde!
Mc. 12,1-12 (1/06/2020)
In die tijd begon Jezus tot de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten te spreken in gelijkenissen:
'Er was eens een man die een wijngaard aanlegde, er een omheining omheen zette, een wijnpers erin uithakte en er een wachttoren in bouwde;
daarna verpachtte hij hem aan wijnbouwers en hij vertrok naar den vreemde. Op de vastgestelde tijd zond hij een dienaar naar de wijnbouwers
om zijn aandeel in de opbrengst van de wijngaard van hen in ontvangst te nemen. Maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem
met lege handen terug. Daarop zond hij een andere dienaar naar hen toe. Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beledigden hem.
Weer stuurde hij er een, maar hem doodden zij; en zo nog verscheidene anderen die zij mishandelden en doodden. Hij had nu niemand meer dan zijn geliefde zoon.
Die stuurde hij als laatste naar hen toe, in de veronderstelling: Mijn zoon zullen ze wel ontzien. Maar de wijnbouwers zeiden onder elkaar:
'Dit is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zijn.' Ze grepen hem vast, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard.
Wat zal nu de eigenaar van de wijngaard doen? Hij zal komen, de wijnbouwers ter dood brengen en de wijngaard aan anderen geven.
Hebt ge deze schriftplaats niet gelezen: 'De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen.' '
Zij zonnen nu op een middel om zich van hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, want ze begrepen dat de gelijkenis die hij vertelde op hen sloeg.
Zo lieten ze hem met rust en verwijderden zich.
De eigenaar is weggegaan naar den vreemde. Zo maakt Hij ruimte voor ons, mensen. Maar niets is zo lastig als G-ds afwezigheid.
Je bidt, roept maar het blijft stil. Wat dan?
Óf je neemt je leven in eigen handen, als je eigenste bezit, óf je blijft het uithouden te midden van die aanwezige Afwezigheid.
Het wachten valt lang. Maar soms komt Hij naar je toe als dienaar, met lege open handen. Hij staat voor je maar je herkent Hem niet.
Hij is geworden tot concurrent, die lastige dakloze, een vreemdeling die het waagt om zijn lege handen uit te strekken naar jouw bezit.
En G-d?
Hij wordt steeds kwetsbaarder en vraagt zich af: “Wat kan Ik nog doen? Zal Ik mijn Zoon sturen?”
We kennen de afloop. Doden zullen ze Hem. Ze? Of is het ook we? Ook wij maken slachtoffers en zijn bang om ons individualisme om te buigen naar verbondenheid.
Een verbondenheid die gehoor geeft aan zijn appél. Het appél van kwetsbare mensen met lege handen, mensen kapot gemaakt door pachters die zich eigenaar wanen …
Hou vol en blijf uitzien naar de komst van de eigenaar! Zal je Hem herkennen?
Weet wel: Hij zal er anders uitzien als toen Hij wegging, verrassend nieuw.
Mc.1,14-20 (24/1/2021)
Maar nadat Johannes gevangen genomen was, ging Jezus naar Galilea
en verkondigde hij de bevrijdende boodschap van het koningschap van God:
“De tijd is vervuld en het koningschap van God is dichtbij gekomen.
Keer je innerlijk om en vertrouw op deze bevrijdende boodschap.”
Rondwandelend langs het meer van Galilea zag hij Simon en zijn broer Andreas,
die netten aan het uitwerpen waren in het meer – zij waren namelijk vissers.
“Kom, mij achterna, riep Jezus hen, en ik zal je doen groeien tot vissers van mensen!”
Onmiddellijk lieten zij hun netten los en volgden hem.
Een beetje verder gaande zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes.
Ze waren in hun boot de netten aan het herstellen. Onmiddellijk riep hij hen en lieten zij hun vader
in het schip met de dagloners los en gingen weg, hem achterna.
Er is een mooie paradox tussen enerzijds het “onmiddellijke” van Jezus’ roepen en het volgen van de leerlingen,
en anderzijds de “groei” die er nodig is – én gegund wordt – om écht tot leerling te worden.
Dat is een ‘paradox’ (en geen tegenstelling) omdat het de realiteit van ons leven als Christen weerspiegelt:
Enerzijds duldt “het koningschap van G-d” geen uitstel. Het staat er aan te komen en als wij er niet in meegaan,
zal het aan ons voorbijgaan. En aangezien G-d werkt in en door zijn mensen (zoals hij voluit in Jezus werkte),
moeten wij eraan beginnen – en wel nú – anders komt er niets. Maar anderzijds weet G-d wel
dat zijn ‘werkinstrumenten’ (wij dus) enige stugheid en traagheid hebben. Allerlei angst, zelfbehoud en ik-gerichtheid houdt ons tegen.
We krijgen daarom groeitijd: een leven lang om – éindelijk – geboren te worden, éindelijk waarachtig leerling te worden.
‘Onmiddellijk begin’ van mijn groeiweg zou misschien kunnen zijn, dat ik evenveel geduld opbreng voor de mensen om mij heen, als G-d heeft met mij …
Mc. 8,27-35 (12/09/2021)
Jezus ging met zijn leerlingen van daar weg naar de dorpen van Caesarea van Filippi [ca. 40km noordelijker, aan de voet van de Hermon, bij de bronnen van de Jordaan; overwegend heidens]. Onderweg vroeg hij hen: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”
Ze antwoorden: “Ze zeggen: Johannes de doper; anderen zeggen Elia, of nog anderen één van de profeten.”
Toen vroeg hij hun: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?” Petrus antwoordde: “Jij bent de Gezalfde [Christos/Messiah]!” Streng zei hij hen hierover met niemand te spreken.
Hij begon hen te onderrichten dat het ‘moest’ [=noodzakelijk, in de lijn v.d. Bijb./Goddelijke logica v.d. Liefde] dat de mensenzoon veel zou lijden en worden verworpen door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, dat hij zou worden gedood en na drie dagen opstaan. Hij zei dit vrijmoedig [= in blij vertrouwen].
Petrus nam hem apart en begon hem hierover te weerleggen. Maar Jezus keek om naar zijn leerlingen en sprak Petrus streng toe: “Ga weg, achter mij, weerstrever [satan], want wat je bedenkt is niet van God, maar van mensen.”
Nu riep hij zijn leerlingen en de grotere kring bij zich en zei hen: “Wie de bedoeling heeft achter mij aan te komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, en mij volgen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen,
maar wie zijn leven verliest omwille van mij en de bevrijdende boodschap [euangellion],
die zal het redden.
Toch wel een rare les die Jezus aan zijn leerlingen (wíj dus!) onderricht. Er is nog maar net ‘hiep-hoi’ geroepen – jij bent de gezalfde! – of hij komt ermee dat dat lijden, verwerping en dood met zich mee zal brengen. Realiseren wij het ons voldoende wat voor meester wij volgen (of zéggen te volgen)? Hij laat er immers geen twijfel over bestaan dat het voor wie achter hem aan wil komen (wíj dus), niet anders zal zijn dan voor hem!
Is het Christendom dan toch – zoals sommigen beweren – één boodschap van kommer en kwel? Vandaag horen we inderdaad vooral die ene kant. Maar het is de kant die ‘enkel’ de consequentie is van de andere, namelijk die van een leven in en vanuit de Liefde.
Ga het maar even na in je gewone menselijke leven. Óveral waar je wat ernstig ingaat op waarachtige liefde, zúl je ook uitkomen bij … lijden! Liefde en lijden lijken onlosmakelijk met elkaar Verbonden.
En als dat al zo is bij onze beperkte menselijke liefde … Wat als wij in de sporen willen proberen te lopen van een G-ddelijke, zonder-maatse Liefde …
Mc.3,20-21 (21/01/2023)
Hij ging naar huis en opnieuw kwam er zoveel volk samen dat ze geen kans hadden om te eten.
Toen zijn verwanten dit hoorden, gingen ze naar hem toe om hem mee te nemen, want men zei dat hij buiten zijn zinnen was.
Zie je wel dat het toch wel gek was wat Jezus deed! (Zie het commentaar van eergisteren, donderdag.) Altijd maar al dat volk dat om hem heen drong en ‘van allerlei kwalen genezen wilde worden door hem aan te raken’ … En nu blijkt het nog zo erg te worden dat hij niet eens kans had om fatsoenlijk te eten; of er de tijd niet voor nám … Dát kan zijn familie niet meer hebben! Niet uit kwaadwilligheid of onbegrip; wellicht eerder omgekeerd uit grote bezorgdheid en misschien zelfs weloverwogen belang dat hij toch voldoende sterk moest staan om dit werk te kunnen blíjven doen. Of was het toch om de goede naam van de familie te beschermen, want ‘men zei …’? Er werd dus al over geroddeld.
En Jezus – onze voorganger – …? Die trok er zich allemaal niets van aan en ging zijn weg – de weg die hij ‘moest’ gaan. Geen roddel, geen familiebanden, geen honger hield hem tegen om te doen wat zijn roeping was in deze wereld. Leefden wij maar in deze ‘vrijheid van geest’! Er zou veel volk komen luisteren wat we te vertellen hebben …