Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

Tik Joh. 1,25 
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Mc.7,31-37 (5/9/2021)

Jezus ging weer weg van het gebied van Tyrus en Sidon en kwam bij het meer van Galilea, in het gebied van Dekapolis. [dus aan de oostzijde van het meer, ook Helleens/’heidens’ gebied]
Men bracht hem een dove, die ook moeilijk sprak, en ze smeekten hem de handen op te leggen. Jezus nam hem uit de menigte apart, stak zijn vingers in zijn oren, spuwde en nam zijn tong vast. Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: “Effata!” – wat betekent: word geopend. Onmiddellijk openden zich zijn oren en werd de band van zijn tong los en kon hij gewoon spreken.
Jezus gebood hun het aan niemand te zeggen, maar hoe meer hij het verbood, hoe meer zij het verkondigden. Ze waren uitermate versteld en zeiden: “Alles doet hij goed! Doven doet hij horen en sprakelozen spreken.”

Men brengt een man bij Jezus. Hij hoort niet en spreekt moeilijk. Het kan niet anders dan dat dit gestoorde communicatie tot gevolg heeft. Er is een medische oorzaak (doofheid) voor die communicatiestoornis, maar er is ook sprake van een storing in het intermenselijke verkeer. De man kan (mag?) niet voor zichzelf spreken. Alles wordt door derden voor hem geregeld. De mensen om hem heen denken heel goed te weten wat hij nodig heeft (met de beste bedoelingen!).
Maar Jezus neemt hem weg uit die menigte, weg van onder de goedbedoelde, maar verstikkende laag van liefdadigheid, die de eigen stem smoort. “Ga open, Effata!”, zegt hij tégen hem. Hij spreekt hem aan. “Breek uit de stereotypen waarin mensen jou gevangenhouden”. Is dat niet wat ieder mens verlangt? Dat er Eén is die je aanspreekt, die je kent. Eén die je aanspreekt in je kwetsbaarheid, in je eigenheid en niet op je gebrek.
Dat is het wonder dat Jezus hier doet – en steeds opnieuw doet – nl. zeggen, als een belofte: “Ga, open!”

Mc.11,11-25 (2/06/2023)

11     Zo kwam Jezus aan in Jeruzalem,
       ging de tempel binnen en nam alles in ogenschouw.
       Het werd laat.
       Hij trok naar buiten, naar Betanië, samen met de twaalf.
12    De volgende morgen gingen ze weg uit Betanië.
       Hij kreeg honger.
13    Hij zag in de verte een vijgenboom met bladeren
       en ging kijken of er iets aan te vinden was.
       Maar daar gekomen vond hij niets dan bladeren;
       het was ook nog niet de gunstige tijd voor de vijgen.
14    Jezus reageerde hierop en zei:
       “Tot in eeuwigheid zal niemand nog vruchten van jou eten.”
       Zijn leerlingen hoorden dit.
15    Ze kwamen in Jeruzalem
       en toen Jezus de tempel binnenging,
       begon hij de kopers en verkopers van het tempelplein te jagen,
       en de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de verkopers
       omver te gooien
16    en hij liet niet toe
       dat iemand nog met goederen
       het tempelplein als doorpassage gebruikte.
17    En hij onderrichtte hen: “Staat er niet geschreven:
       Mijn huis zal een huis van gebed voor alle volken genoemd worden? [Jes.56,7]
       Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!” [Jer.7,11]
18    De schriftgeleerden en hogepriesters hoorden dit
       en zij zochten hoe ze hem konden uit de weg ruimen,
       maar ze waren bang voor hem,
       want heel het volk was uitermate vervuld over zijn leer.
19    Toen het al laat was geworden, trokken ze weg uit de stad.
20    Toen ze ’s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen,
       zagen ze dat die verdord was vanaf de wortel.
21    Her-innerend zei Petrus tegen Jezus:
       Rabbi [meester], kijk, de vijgenboom die je vervloekt hebt, is verdord!”
22    Jezus antwoordde aan allen: “Heb vertrouwen in God.
23    Amen, ik zeg jullie:
       Wie tegen deze berg zegt: verhef je en werp je in zee,
       en in zijn hart niet twijfelt,
       maar vertrouwt dat wat hij zegt gebeurt,
       voor hem zal het zijn zoals hij zegt.
24    Daarom zeg ik jullie:
       Alles wat je biddend vraagt [je verlangen uitspreekt],
       vertrouw dat je ontvangt, en het zal er voor je zijn.
25    Wanneer je bidt,
       vergeef [laat los], als je tegen iemand iets hebt,
       opdat ook jullie Vader in de hemelen
       jullie overschrijdingen vergeeft.

Waar-achtig gebed vraagt om lege ruimte waar de stilte spreekt, waar niet onderhandeld wordt, maar waar dit juist stil gelegd wordt en verdreven.
Het Griekse woord voor tempel (τέμνώ) betekent snijden of afbakenen. Oorspronkelijk was de tempel dan ook een afgesneden stuk dat scherp afgebakend was van de rest eromheen, een afgezonderd terrein voor heilige handelingen, een gewijde ruimte. Daar (in tempel of de kerk) zou dus een lege ruimte te vinden kunnen zijn, een plek om te ervaren dat er iets is dat voorbij de logica van geld en handel reikt, nl. ‘leven-gevende’ ruimte en tijd van Léven. Het is in die ruimte, in die tijd dat wij het goddelijke mogen/kunnen ontmoeten. Het is daar dat wij her-innerd worden waartoe wij bestaan. Daar zijn geen woorden nodig, daar spreekt de stilte in jou en krijgt G-d de kans om in jou aan het woord te komen en in jou te bidden.

Mc.12,18-27 (7/06/2023)

18    Nu kwamen er sadduceeën bij hem.
       Zij [als religieuze stroming voor wie enkel de eerste vijf boeken van de Schrift bepalend waren] zeggen dat er geen opstanding [uit de doden] is.
       Ze vroegen Jezus:
19    “Meester, Mozes heeft ons geschreven:
       Als iemands broer sterft
       en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen,
       dan moet die broer bij de vrouw een nakomeling verwekken
       voor zijn broer. [Deut.25,5-10]
20    Nu waren er eens zeven broers.
       De eerste huwde en stierf zonder nakomeling.
21    De tweede huwde haar, maar ook hij stierf zonder nakomeling.
       De derde evenzo.
22    Zo huwden alle zeven haar zonder een nakomeling na te laten.
       Als laatste stierf ook de vrouw.
23    Bij de opstanding nu,
       van wie zal zij de vrouw zijn,
       want alle zeven hebben haar als vrouw gehad?”
24    Jezus antwoordde hen:
       “Dwalen jullie niet,
       omdat je niet in kennis bent met de Schrift
       noch met de dynamiek van God?
25    Want wanneer zij opstaan uit de doden,
       huwen ze niet en worden niet gehuwd,
       maar zijn ze als engelen in de hemelen.
26    En over de doden, dat zij opstaan:
       Hebben jullie niet gelezen in het boek van Mozes
       hoe God bij de braamstruik tegen hem zei:
       ‘Ik ben de God van Abraham,
       de God van Isaak en de God van Jakob’?
27    Hij is toch geen God van doden, maar van levenden?!
       Jullie dwalen ernstig!”

Het geloof in een ‘leven na de dood’ is pas in de loop van de bijbelse tijden ontwikkeld. Ten tijde van Jezus was de discussie nog niet helemaal beslecht, zo lezen we dat hier. Ook lezen we dat Jezus resoluut standpunt kiest vóór.
Wij noemen ons Christenen. Geloven wij ook resoluut in een leven na de dood …?
Wij vinden het argument van de sadduceeën wellicht een beetje lachwekkend, maar in wezen volgen ze dezelfde denktrant die wijzelf ook vaak maken: Ik kan er mij niets bij voorstellen, mijn binnenwereldse vergelijkingspunten schieten tekort, … dus geloof ik het niet.
Maar geloof is nu eenmaal geloof, en geen ‘weten’. Jezus gelóófde het. Hij had zijn Bijbel gelezen en was tot de conclusie gekomen dat G-d een G-d van Léven is. ‘Dood’ heeft daar geen plaats –
transformatie van leven wel; zelfs ook juist transformatie van het dode naar het levende. Hij geloofde er zódanig in … dat hij zijn leven ervoor gaf!

Mc.12,38-44 (10/11/2024)

38    In zijn onderwijzing zei Jezus:
       “Kijk uit voor schriftgeleerden
       die graag in lange gewaden rondwandelen,
       begroet willen worden op de markten,
39    en de voornaamste zetels willen
       in de samenkomsten [synagoge] en bij maaltijden,
40    terwijl ze de huizen van weduwen opslokken
       en voor de schijn lang voor hen bidden.
       Voor dezen zal het oordeel des te strenger zijn!”
41    En gezeten tegenover de offerschaal,
       zag Jezus hoe velen er geld in wierpen.
       Veel rijken wierpen er veel in.
42    Maar er kwam ook één arme weduwe,
       die er twee kopermuntjes in wierp.
43    Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei hen:
       “Amen [zeker, naar waarheid], ik zeg jullie:
       Die arme weduwe heeft het meest van allen erin geworpen,
44    want zij wierpen iets uit hun overvloed bij de gaven,
       maar deze vrouw,
       vanuit haar tekort,
       wierp er alles in wat ze had:
       haar leven!”

Waar het hier allemaal om lijkt te gaan, is oprechtheid.
Om wat pedagogische kracht bij te zetten, wordt hier in twee delen een scherpe tegenstelling neergezet: een aanzienlijke (een man ‘uiteraard’) tegenover een onaanzienlijke (een vrouw ‘uiteraard’); bidden tegenover geld offeren; lang (bidden) tegenover weinig (geld). Maar de sleutel voor beide is de oprechtheid!
We mogen niet denken dat de schriftgeleerde fout zit omdát hij schriftgeleerde is; net zomin we mogen denken dat de arme weduwe juist zit omdát ze arm is! Het enige criterium is de oprechtheid.
Oprechtheid is echter niet makkelijk te meten aan de buitenkant. Daarom moeten we altijd voorzichtig zijn met ons oordeel over de daden van een ander. Misschien zullen we echte oprechtheid beter beginnen te herkennen naarmate we ook kritisch eerlijk durven zijn over onze eigen oprechtheid? …

Mt. 9,1-8 (2/07/2020)

In die tijd ging Jezus in een boot, stak over en kwam in zijn stad. Men bracht een lamme die op een bed lag naar Hem toe.
Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Heb goede moed mijn zoon, jouw zonden zijn je vergeven.'
Enkele schriftgeleerden zeiden nu bij zichzelf: 'Die man spreekt godslasterlijk.' Maar Jezus kende hun gedachten en zei:
'Waarom denk jij kwaad bij jezelf? Wat is gemakkelijker te zeggen: Jouw zonden zijn je vergeven, of: Sta op en loop?
Welnu, opdat je zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven - en nu sprak Hij tot de lamme:
- Sta op, neem je bed en ga naar huis.' En de lamme stond op en ging naar huis. Toen de menigte dit zag werd zij door ontzag bevangen
en zij verheerlijkten God, die zulk een macht gegeven had aan mensen.

 Over de genezingsverhalen is het nooit zinvol te ‘wetenschappelijk’ te gaan doen. Zíj wisten uiteraard niet wat wij nu weten;
én – spijtig wellicht – wíj weten ook niet meer wat zij soms wél wisten over zo’n dingen.
De genezingsverhalen van Jezus gaan meestal over ‘geloof’. Nee, Jezus vraagt hen niet de catechismus op,
met een noodzakelijke score eer hij geneest. Wél is het telkens duidelijk hoe het een open-ontvankelijke levenshouding is,
een ‘vertrouwen’ in een lévengevende G-d, die de basis is waarop Jezus ‘wonderen kan verrichten’.
In de voorliggende passage is er nog iets heel opmerkelijks in dat verband: Hier gaat het niet over het geloof/vertrouwen van de lamme,
maar van de dragers! “Toen hij hun geloof zag …” Dát is blijkbaar iets wat mensen voor elkaar kunnen betekenen: elkaar dragen!
Niet alleen letterlijk, zoals hier, ook in allerlei figuurlijke betekenissen, en ook in geloof (waar de ander misschien niet meer kan geloven).
Gelovigen zijn dragers … (Je mag ook zeggen: dragers zijn gelovigen …)

Mc.1,12-15 (21/2/2021) 

Onmiddellijk na zijn doop stuurde de Geest Jezus weg, naar de woestijn.
Hij bleef veertig dagen, daar in de woestijn, en werd door de tegenstander [satan] beproefd.
Hij verbleef onder de wilde dieren en de engelen zorgden voor hem.
Maar nadat Johannes gevangen genomen was, ging Jezus naar Galilea
en verkondigde hij de bevrijdende boodschap van het koningschap van God:
“De tijd is vervuld en het koningschap van God is dichtbij gekomen.
Keer je innerlijk om en vertrouw op deze bevrijdende boodschap.”

4 verzen, 4 zinnen, 4 facetten van een verdiept geloofsleven – heel veel samengebald dus hier;
slechts een paar korte aanwijzingen:
1° Gedoopt zijn, is maar het begin. Die stap, die ene act (of hij nu bewust is gezet of mij gegeven)
moet zich verdiepen om te wortelen in mijn persoonlijk leven. En daarvoor is verstilling nodig:
tijd voor ‘verkering’ tussen mij en mijn G-d.
2° Die levensverstilling zal ook wel wat moeite opleveren: confrontatie met alles wat mij tegenhoudt.
Vaak wijs ik daarvoor naar dingen buiten mij (‘de omstandigheden zijn niet gunstig’),
maar naar Bijbelse (en dus oermenselijke) ervaring gaat het eigenlijk vaker om ‘de wilde beesten in mij’,
die vooral leven ter éigen overleving. Een troost en steun: ‘engelen’ zullen voor mij zorgen!
3° En toch is die stille verkering niet het eindpunt! Liefde is pas liefde, als ze vruchtbaar wordt.
Menselijke omstandigheden appelleren mij terecht ‘naar de wereld’, zelfs als dat gevaarlijk is.
4° Wat ik breng, is nooit (zou nooit mogen zijn) een boodschap van (en nog minder over) mezelf.
Omdat G-d míj is tegemoet gekomen, draag ik hém uit, met de uitnodiging zich naar zíjn liefde toe te keren.
Maar een leven dat niet over mezelf gaat, kan enkel vanuit Vertrouwen …

Subcategorieën