Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Lc.4,1-13 (9/03/2025)
1 Nu vervuld van heilige geest-adem,
keerde Jezus terug van de Jordaan [na zijn doop]
en in die geest-adem werd hij tot in de woestijn geleid.
2 Veertig dagen werd hij beproefd door de uiteendrijver [splitser, diabolos].
Hij at niets in die dagen
en toen ze voleindigd waren, was hij uitgehongerd.
3 Nu zei de uiteendrijver tegen hem:
“Als jij de zoon van God bent,
zeg dan aan die steen dat hij een brood moet worden.”
4 Maar Jezus antwoordde hem:
“Er staat geschreven:
Niet van brood alleen zal de mens leven!” [Deut.8,3]
5 Toen voerde de uiteendrijver hem mee naar een hoge berg
en toonde hem in een ogenblik
alle koninkrijken van de wereld.
6 En hij zei tegen hem:
“Aan jóu zal ik heel die macht en glorie geven
– want die is aan mij overgedragen
en ik geef ze aan wie ik wil.
7 Als je je neerbuigt voor mijn aanschijn,
dan zal dit alles van jou zijn.”
8 Maar Jezus antwoordde hem:
“Er staat geschreven:
Je zult je neerbuigen voor je Heer God
en hem alleen zul je dienen.” [Deut.6,13]
9 Nu voerde hij Jezus naar Jeruzalem,
liet hem op de dakrand van het heiligdom staan en zei:
“Als jij de zoon van God bent,
werp dan jezelf naar beneden.
10 Want er staat geschreven:
Want Hij geeft zijn engelen opdracht
je op al je wegen te bewaren.
11 Hun handen zullen je dragen
zodat je je voet niet stoot aan een steen. [Ps.91,11-12]
12 Maar Jezus antwoordde hem:
“Er is gezegd:
Je zult de Heer je God niet op de proef stellen.” [Deut.6,16]
13 Toen hij alle beproevingen vervuld had,
nam de uiteendrijver afstand van hem
tot op een gunstige tijd.
Wat Jezus in de woestijn te doorstaan krijgt, is niet niks. Alhoewel je evengoed zou kunnen zeggen dat het de ‘gewone’ dingen zijn voor wie het ernstig met zijn vasten probeert. Jezus ondergaat hier de klassieke menselijke verleidingen, die we steeds weer zien opduiken als zeer krachtige drijfveren voor onze handelingen: (teveel) brood, macht, aanzien.
Dat Jezus iets werkelijk ánders – iets goddelijks – is komen brengen in onze wereld, laat zich juist hier zien: hij countert de ‘gewone’ menselijke drijfveren, waardoor er eindelijk een écht nieuwe wereldorde zou kunnen komen.
Wij zijn geneigd om te zeggen – en onszelf te vergoelijken: “Ja, Jezus, híj kon dat, maar ik ben Jezus niet!” Dat is natuurlijk waar, en daarom zullen onze pogingen wellicht ook altijd beperkter blijven dan de zijne, maar laat ons niet vergeten dat ook wij – net als hij – gedoopt zijn, en dat wij dus evenzeer “vervuld zijn van de heilige geest-adem”! Mijn ikje zal zich in de ‘bekoringen’ wellicht al gauw laten vangen – we worden zo graag geflatteerd! Maar als ik de ‘heilige geest-adem’ in mij werkzaam laat worden, dan zijn er ándere dingen mogelijk!
Lc.9,28b-36 (16/03/2025)
28 Jezus nam Petrus, Johannes en Jakobus mee
de berg op om te bidden.
29 In het bidden gebeurde het:
het beeld [/de aanblik] van zijn gelaat veranderde
en zijn kleding werd stralend wit.
30 Kijk! Twee mannen spraken met hem: Mozes en Elia,
31 die in grootsheid verschenen.
Zij spraken over zijn uittocht
[exodon: uittocht – hier: sterven – met de implicatie van doortocht én intocht]
die hij moest volbrengen in Jeruzalem.
32 Petrus en degenen die bij hem waren,
waren ondertussen overmand door de slaap.
Nu klaarwakker geworden, zagen zij zijn grootsheid
en de twee mannen die bij hem waren.
33 Toen die aanstalten maakten om van hem weg te gaan,
zei Petrus tegen Jezus:
“Meester, het is goed dat wij hier zijn!
Laten wij drie tenten maken:
één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia”,
niet wetend wat hij zei.
34 Terwijl hij dit zei,
ontstond er een wolk die hen [allen] overschaduwde.
Ze [de leerlingen] werden bevreesd toen zij [Jezus, Mozes en Elia] de wolk binnengingen.
35 Er kwam een stem uit de wolk:
“Dit is mijn daad-werkelijk geliefde zoon. Luister naar hem.”
36 Toen de stem verstilde vonden ze Jezus daar alleen.
Zij zwegen en vertelden in die dagen aan niemand iets
van wat ze gezien hadden.
Het Evangelie van vandaag verduidelijkt dat er iets gebeurt ‘in’ het bidden. Er ontstaat verbondenheid: verbondenheid met het verleden en met G-d. Op het topje van het gebeuren, in-gebed, mogen we voelen, zien en ervaren wat het met je doet wanneer goddelijke heelheid jouw toevalt. In de verbondenheid wordt de logica van G-d zichtbaar.
Deze komt echter pas écht tot leven wanneer we afdalen. Want daar, in de diepte, bij het lijden van onszelf en de ander, ontstaat een verlangen naar heelheid. Het leven speelt zich immers niet alleen af op de top van de berg.
We moeten afdalen, naar de diepte gaan, vanuit het vertrouwen dat wat we in-gebed hebben gezien, ons de kracht geeft om de confrontatie aan te gaan.
Lc.6,36-38 (17/03/2025)
36 Word mede-lijdend
zoals ook jullie Vader mede-lijdend is.
37 Oordeel niet
en je zult niet geoordeeld worden.
Veroordeel niet
en je zult niet veroordeeld worden.
Spreek vrij
en je zult vrijgesproken worden.
38 Geef
en er zal je gegeven worden.
Een goeie maat zullen ze je in de schoot werpen,
geschud, aangestampt en overlopend.
Want met de maat waarmee jullie meten,
zul je ook gemeten worden.”
De openingswoorden van onze evangelielezing van vandaag zijn: "Word mede-lijdend zoals ook jullie Vader mede-lijdend is".
Hoe zou het mede-lijden eruit zien als we in G-ds schoenen zouden gaan staan? Wat komt er dan op ons af en hoe gaan we er mee om?
Liefde geven, zonder maat, onvoorwaardelijk en zonder oordeel!
Het lijkt naïef. Ze zullen van je profiteren als je dat doet, denken we. Maar is dat echt zo? Durven we het ook proberen? Durven we mensen écht graag zien – niet zomaar hen pleasen –, zo graag dat we met hen mee-lijden, dat is: hun lijden tot het onze maken?
Mensen liefhebben vanuit het verlangen ze écht te leren kennen, echt in alle openheid, zonder oordeel, dat is niet naïef. We worden er een goddelijke mens door. Dat is wat we krijgen als we mateloos liefhebben … We worden als G-d!
Laten we er maar mee beginnen, want het zal minstens een leven lang duren om het ons eigen te maken.
Lc.16,19-31 (20/03/2025)
19 Er was eens een rijk man.
Hij ging gekleed in purper en fijn linnen
en hield elke dag een schitterend feestmaal.
20 En er was ook een arme, die Lazarus heette,
die – bedekt met zweren – neergelegd was aan zijn poort,
21 in de hoop zijn buik te kunnen vullen
met de kruimels die van de tafel van de rijke vielen.
Maar alleen de honden kwamen
om zijn zweren af te likken.
22 Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen weggedragen werd
naar de schoot van Abraham.
En ook de rijke stierf en werd begraven.
23 Terwijl hij kwellingen onderging in het schimmenrijk [hades/sjeool],
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham,
met Lazarus in zijn schoot.
24 Hij riep: “Vader Abraham, ontferm je over mij,
en stuur Lazarus,
dat hij de top van zijn vinger in water doopt
en mijn tong komt verkoelen,
want ik lijd pijn in deze vlam!”
25 Abraham antwoordde echter:
“Kind, herinner je je
hoe je in jouw leven je goede dingen hebt aangenomen
en Lazarus evenzo de kwade?
Nu wordt hij hier getroost en lijd jij pijn.
26 En bij dit alles gaapt tussen ons en jullie een grote kloof,
zodat wie zou willen overstappen van hier naar jullie
dat niet kan,
en ook niet van jullie naar ons.”
27 Nu zei hij: “Dan vraag ik je, vader,
dat je hem stuurt naar het huis van mijn vader
28 – want ik heb nog vijf broers –
om daar een getuigenis af te leggen,
zodat zij niet ook in deze plaats van kwelling terecht komen.”
29 Abraham antwoordde hem:
“Ze hebben Mozes en de profeten,
laat ze naar hen luisteren!”
30 Maar hij zei: “Ach nee, vader Abraham …
maar als iemand uit de doden naar hen gaat,
zullen ze zich wel bekeren!”
31 Nu besloot Abraham:
“Als zij zelfs niet luisteren naar Mozes en de profeten,
zullen ze zich ook niet laten overtuigen
door iemand die uit de doden opstaat.”
Hoe realistisch! Hoe hedendaags! Uiterlijk kan het er misschien wat anders uitzien, of wij zouden andere woorden en beelden gebruiken, maar aan het hier beschreven feit blijkt tot op vandaag niet veel veranderd. Nog steeds liggen (kans)armen van allerlei soort onder de tafels van (kans)rijken van allerlei soort. Nog steeds zijn er mensen – mede-mensen! – die het moeten stellen met de kruimels van anderen.
Als de mensheid nog niet veel heeft bijgeleerd in al die tijd, wordt het des te dringender dat het Evangelie vandaag opnieuw verkondigd wordt! Ik zeg ‘opnieuw’, omdat het wel duidelijk is dat het net meer en meer uit de maatschappij aan het verdwijnen is.
Jezus vertelt een bruuskerend verhaal in de hoop dat die ‘rijken’ zich toch tot hun mede-mens zouden bekeren, ook al is hij wat pessimistisch over hun luisterbereidheid. Voor de ‘armen’ is hij bijzonder troostvol en hoopvol, zoals het hele Evangelie een expliciete voorkeursbehandeling voor ‘de armen’ propageert.
Aan welke kant bevind ík mij? Laten we vooral niet te snel denken dat dat aan de ‘arme’ kant is …
Lc.15,1-3.11-32 (22/03/2025)
1 Wie echter dichterbij kwamen
om inderdaad te luisteren,
waren allemaal ‘tollenaars en zondaars’
[uitschot in andermans ogen].
2 De farizeeën en schriftgeleerden morden daarover:
“Die daar verwelkomt zondaars en eet met hen!”
3 Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
11 “Iemand had twee zonen.
12 De jongste zei tegen de vader:
“Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.”
En de vader verdeelde zijn bezit onder hen.
13 Niet veel later zamelde de jongste alles bijeen
en trok naar een ver land.
Daar vergooide hij zijn vermogen
met een reddeloos [asotèr / on-be-vrij-d] leven.
14 Toen hij nu alles uitgegeven had,
kwam er een zware hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
15 Hij ging op zoek en klampte zich vast aan een stedeling,
die hem naar zijn velden stuurde
om varkens te hoeden.
16 Hij wou zelfs zijn buik vullen
met de schillen die de varkens aten,
maar niemand gaf ze hem.
17 Daar kwam hij tot zichzelf en zei:
“Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed,
terwijl ik hier om kom van de honger?!
18 Ik zal opstaan,
naar mijn vader gaan en hem zeggen:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
19 Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.
Maak mij tot één van je dagloners.”
20 En hij stónd op
en ging naar zijn vader.
Toen hij nog ver weg was,
zag zijn vader hem al
en raakte ten diepste bewogen.
Hij snelde op hem af,
viel hem om de hals
en kuste hem hartelijk.
21 Nu zei de zoon tegen hem:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.”
22 Maar de vader zei tegen zijn knechten:
“Breng snel het voornaamste [= mijn] feestgewaad
en bekleed hem ermee,
geef hem een ring [= familie-zegelring] aan zijn hand
en sandalen aan zijn voeten [= zodat hij als vrij man kan gaan waar hij wil].
23 Breng het vetgemeste kalf en slacht het.
Laten we een feestmaal houden en blij zijn,
24 want deze zoon van mij was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren
en werd teruggevonden!”
En ze begonnen feest te vieren.
25 Nu was zijn oudste zoon op het veld.
Toen hij aankwam en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
26 Hij riep een van zijn knechten/jongens
en ondervroeg hem wat dat allemaal was.
27 Die zei nu tegen hem:
“Je broer is teruggekomen
en je vader heeft het vetgemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.”
28 Hij werd woedend en wilde onder geen beding binnenkomen.
Daarom kwam de vader naar buiten hem tegemoet
en probeerde hem over te halen.
29 Maar hij antwoordde zijn vader:
“Kijk! Al zoveel jaren sta ik jou ten dienste
en nooit heb ik een gebod van jou overtreden,
en aan míj heb je nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
30 En nu die zoon van jou,
die je vermogen heeft verbrast met hoeren,
teruggekomen is,
slacht je voor hém het vetgemeste kalf.”
31 Maar nu zei hij tegen hem:
“Mijn kind, jíj bent altijd bij mij,
en al wat van mij is, is van jou.
32 Maar er moet feest en blijheid zijn,
want die broer van jou was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren en werd teruggevonden!””
Weer zou de vraag gesteld kunnen worden aan wiens kant wij staan, maar hier zijn wel vier kanten.
Liefst staan wij bij de jongste zoon. We houden ervan dat dat de vader ons opwacht en omarmt. We vergeten echter al makkelijk dat we daarvoor éérst moeten inzien wat een scheefgelopen leven wij tot dan toe hebben geleefd!
Soms staan we ook bij de vader. Dat mag zeker het model worden om met onze medemensen om te gaan. Meer barmhartigheid zou het samenleven alleen maar mooier maken.
Vergeten we de oudste zoon niet! Dat is de plichtbewuste die stipt alles doet wat de vader vraagt, maar tegelijk verstard en verzuurd is geraakt. Is dat niet een houding waar veel Christenen vandaag in terecht zijn gekomen? Maar de barmhartigheid en wijsheid van de vader geldt ook hen.
En de vierde, vraag je je af? Dat zijn de farizeeërs natuurlijk, diegenen op wie we – wellicht ongewild, maar daarom niet minder reëel – meer dan eens toch gelijken. Hoe vaak veroordelen wij niet ‘tollenaars en zondaars’, misschien niet met woorden, maar daarom niet minder in ons hart?! Voor hén vertelt Jezus dit verhaal!
Lc.13,1-9 (23/03/2025)
1 Terwijl Jezus hierover bezig was,
waren er onder de aanwezigen
die hem vertelden over de Galileeërs
van wie [de romeinse landvoogd] Pilatus het bloed vermengd had
met dat van hun offerdieren.
2 Jezus antwoordde hun:
“Denken jullie dat deze Galileeërs
grotere zondaars waren dan de anderen,
omdat ze dit hebben moeten lijden?
3 Neen!, zeg ik jullie,
maar als jullie je niet bekeren,
zul je allen op dezelfde manier omkomen.
4 Of die achttien die stierven
toen de toren bij de Siloam [een vijver in Jeruzalem] op hen viel.
Denken jullie dat zij schuldiger waren
dan de andere bewoners van Jeruzalem?
5 Neen!, zeg ik jullie,
maar als jullie je niet bekeren,
zul je allen op dezelfde manier opkomen.”
6 Hij vertelde nu deze gelijkenis:
“Iemand had in zijn wijngaard een vijgenboom geplant.
Hij kwam er vruchten aan zoeken,
maar vond er geen.
7 Hij zei tegen de wijngaardenier:
“Kijk, drie jaar kom ik nu al vruchten zoeken aan deze vijgenboom,
maar vind er geen.
Hak hem uit.
Waartoe zou hij nog de grond verder uitputten!”
8 Maar de wijngaardenier antwoordde hem:
“Heer, laat hem nog dit jaar …
Ik zal eerst nog eens de grond bewerken en bemesten.
9 Als hij dan vruchten draagt …
En indien niet, hak hem later dan maar uit.””
Het is vreemd dat in de twee delen van dit Evangelie tegengestelde boodschappen lijken te staan. Eerst (v.1-5) roept Jezus fors op tot bekering. N.a.v. een gruwelijke gebeurtenis wijst Jezus erop dat iedereen die zich niet bekeerd op zo’n manier zal omkomen! Terwijl hij vervolgens (v.6-9) een gelijkenis vertelt die onmiskenbaar het geduld van G-d met de mens weerspiegelt.
Toch klopt het allebei, en horen ze samen!
Ook in het milde verhaal eindigt het ermee dat wie zich niet bekeert ‘omgehakt’ zal worden. G-ds geduld heeft alleen maar tot doel dat wij er éindelijk toe zouden komen. Hij hoopt, verlangt, naar onze bekering en geeft ons tijd. Maar als die bekering er niet komt, zijn wij toch waardeloos voor het Rijk G-ds.
In het strenge verhaal komt ook G-ds ‘brede visie’ tot uiting. De ménsen veroordelen die enkelen die omgekomen zijn en verklaren díe schuldig. Jezus haalt die redenering onderuit als ‘ontwijkingsmechanisme’. Niet omdat een toren per toeval op je valt, ben je schuldig, maar omdat je je niet bekeert!
Langs welke kant je het dus ook bekijkt, Jezus’ boodschap is overduidelijk: Wanneer zul je je nu eindelijk eens bekeren?