Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

Tik Joh. 1,25 
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Mt.15,29-37 (4/12/2024)

29    Jezus vertrok van daar [de kuststrook ten noordwesten van Galilea]
       en kwam bij het meer van Galilea
       [volgens het Marcus-evangelie bij Dekapolis, ten zuidoosten van het meer, dat niet Joods was].
       Hij trok de berg op
       en ging daar zitten [om te onderrichten].
30    Er kwamen heel veel mensen naar hem toe,
       die ook lammen, blinden, doofstommen, verminkten
       en vele anderen met zich mee brachten
       en aan Jezus’ voeten neerlegden.
       En hij heelde hen.
31    Al die mensen zagen vol verwondering
       dat doofstommen spraken, verminkten gezond werden,
       lammen liepen en blinden zagen,
       en zij verheerlijkten de God van Israël.
32    Maar Jezus riep zijn leerlingen bij zich:
       “Die mensen beroeren mij tot in mijn binnenste,
       want ze zijn al drie dagen bij mij
       en hebben niets te eten.
       Ik wil hen niet zonder eten wegsturen,
       anders bezwijken ze onderweg.”
33    Zijn leerlingen zeiden:
       “Vanwaar halen wij in dit afgelegen gebied
       zoveel broden
       om zoveel mensen voldoende te voeden?”
34    Jezus vroeg hun: “Hoeveel broden heb je?”
       Ze zeiden: “Zeven, en enkele visjes.”
35    Hij gebood de mensen op de grond te gaan zitten.
36    Hij nam de zeven broden en de vissen
       en na gedankt te hebben [eucharistein],
       brak hij ze
       en gaf ze aan zijn leerlingen,
       die ze uitdeelden aan de mensen.
37 Allen aten en werden volop gevoed.
       En toen ze de overblijvende stukken ophaalden,
       waren er zeven manden vol.

We zijn al snel gefascineerd door dat gebeuren van de broodvermenigvuldiging, maar vergeten we niet naar de context te kijken waarin dat gebeurt, en dat is die van Jezus’ onderricht.
Jezus zoekt doelbewust een geschikte plek op om zijn volgelingen (ruimer dan ‘de leerlingen’) te onderrichten. (Als Jezus ‘gaat zitten op een berg’ is dat voor Matteüs alsof hij op ‘de leerstoel van Mozes’ plaatsneemt.) Die geschikte plek blijkt wat apart te liggen van het gewone leven. Hij onderricht blijkbaar enkel voor mensen die uitdrukkelijk die ‘leerplek’ opzoeken! (Daar valt voor ons vandaag misschien wel uit te leren.)
Bij ‘onderricht’ denken wij meestal ook meteen aan woorden. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar Jezus’ onderricht omvat duidelijk meer dan woorden alleen. ‘Hij voegt de daad bij het woord’! Zijn boodschap, zijn ‘leer’, brengt hij minstens evenveel via heel concrete daden als via de verhalen die hij vertelt.
En er is nog iets verrassends wat blijkbaar deel uitmaakt van zijn verkondiging: hij zorgt voor eten voor de mensen!

Mt.1,18-24 (18/12/2021)

De geboorte van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah] verliep zo:
Zijn moeder, Maria, was verloofd met Jozef. Voor zij echter gingen samenleven, werd zij zwanger bevonden uit heilige geest. Haar man Jozef, die integer was, wilde haar niet openlijk te schande maken en dacht erover haar in het geheim weg te sturen. Kijk! Terwijl hij deze dingen overdacht, verscheen een boodschapper [engel] van de Heer in een droom aan hem: “Jozef, zoon van David, wees niet bang Maria, je vrouw, bij jou te nemen, want wat in haar is verwekt is uit heilige geest. Ze zal een zoon baren en je moet hem de naam Jezus [de Heer is redding] geven, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.”
Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat vanwege de Heer door de profeet is gezegd: Zie, de jonge vrouw zal zwanger worden en een zoon baren en ze zullen hem noemen: Immanuël [Jes.7,14], wat betekent: God met ons.
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef nu zoals de boodschapper van de Heer hem had opgedragen en nam zijn vrouw bij zich.

In de loop van een jaar komen we Maria aardig vaak tegen; Jozef een héél stuk minder. Terecht? Zou er een Maria geweest zijn zonder Jozef? Een Jezus zonder Jozef? Over de biologische kwesties moeten we het hier niet hebben, maar wél over de menselijke, die toch de context vormen voor G-ds menswording.
Zou Maria, in haar uiterst precaire situatie, haar kind hebben kunnen baren, zonder de nederig stille – ootmoedige – aanwezigheid van Jozef, die haar een beschermend levenskader bood? Zou Jezus, een jongen als alle andere, als méns kunnen opgroeien zijn, zonder de beschikbare en stimulerende – liefhebbende – aanwezigheid van Jozef, die hem het leven én een vak leerde?
Hoe zou de wereld eruit zien, als wij allemaal gewoon ons werk zouden doen en onze relaties beleven zoals steeds, maar op de wijze van Jozef? Zouden die niet wat rustiger en solieder en dus levengevend worden?
De beschermende beslotenheid van een warm levenskader, en de stimulerende openheid om het leven te durven leren, dát bood alvast de Go(e)de ruimte voor ‘Immanuël’ – God met ons!

Mt.18,15-20 (16/08/2023)

15    Als je broer een fout begaat,
       ga erheen en wijs hem terecht
       – alleen onder jullie.
       Als hij naar je luistert,
       heb je je broer gewonnen.
16    Als hij echter niet luistert,
       neem dan nog één of twee mensen met je mee
       – omdat elk woord gestaafd wordt op grond van twee of drie getuigen. [Deut.19,5]
17    Als hij echter ook aan hen geen gehoor geeft,
       zeg het dan [pas] aan de gemeente [ekklesia/kerk],
       en als hij ook aan de gemeente geen gehoor geeft,
       moet hij voor jullie zijn als een heiden en tollenaar [een buitenstaander].
18    Amen, ik zeg jullie:
       Wat je zult binden op de aarde,
       zal gebonden zijn in de hemelen,
       en wat je zult vrij maken op de aarde,
       zal vrij gemaakt zijn in de hemelen.
19    Opnieuw zeg ik jullie:
       Als twee van jullie
       over wat voor zaak op aarde ook
       in overeenstemming iets vragen,
       zal mijn Vader in de hemelen het voor hen laten gebeuren.
20    Want waar twee of drie bijeen zijn in mijn naam,
       daar ben ik middenin hen!”

Een fameus stukje Evangelie, en hier absoluut in de heel sterke zin van het woord: hoe bevrijdend zou het zijn als wij zó met elkaar zouden omgaan!
Hoe vaak vertellen we niet aan ánderen wat iemand heeft gedaan – “o, nee, dat is geen roddelen, dat is uit bezorgdheid”. Of eventueel zwijgen we helemaal – “ik wil over niemand kwaad spreken”. Maar in beide gevallen doen we niet wat hier staat en bewijzen we de ander dus geen dienst, die hem (of haar uiteraard) nochtans zou kunnen bevrijden uit zijn gevangenschap in het kwaad.
Het vraagt veel moed om met ‘onze broer die een fout begaat’ om te gaan zoals hier beschreven. Moed is misschien nog niet eens het juiste woord. Het vraagt een geworteld staan in G-ds geest-Adem. Ik ga immers de ander niet ‘eens vertellen wat ik ervan denk’, maar ik probeer hem opnieuw binnen te brengen in de gemeenschap met G-d (want door het kwade te doen, zet iemand zichzelf buiten). Bevrijdend omgaan met iemand, kan ik alleen als ik zelf leef vanuit het besef: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik middenin hen!”

Mt.8,5-11 (29/11/2021)

Toen Jezus binnenging in Kafarnaüm, kwam er een centurio [honderdman, Romeinse legeroverste] smekend naar hem: “Heer, mijn jongen [kan zijn zoon zijn, of een dierbare knecht] ligt thuis verlamd en lijdt vreselijke pijn.” Jezus zei hem: “Ik zal hem komen genezen.”
Maar de centurio antwoordde hem: “Heer, ik ben te klein dat je in mijn huis zou komen, maar spreek slechts één woord en mijn jongen zal gezond worden. Want ook ik ben een mens aan wie volmacht werd gegeven. Ik heb soldaten onder mij en als ik tot de ene zeg ‘ga’, dan gaat hij, en tot de ander ‘kom’, dan komt hij, of tegen mijn dienstknecht ‘doe dit’, dan doet hij dat.”
Toen Jezus dit hoorde, verwonderde hij zich en zei tegen wie hem volgden: “Amen, ik zeg jullie: Zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof/vertrouwen gevonden! Daarom zeg ik jullie dat velen van oost tot west zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob deel zullen hebben aan het koningschap van de hemelen.

Een Romeins legeroverste die heel goed zijn positie (zijn macht) kent, komt Jezus tegemoet. Hij is zich bewust van zijn ‘grootsheid’, maar die belet hem niet om te beseffen dat de ander hem en hij de Ander nodig heeft. Dit wordt des te meer duidelijk in de confrontatie met het mysterie van leven en dood. Daar voelt hij zijn kleinheid.
Hij is een man die doet wat hij moet doen, nl. alert en zorgzaam omgaan met wie aan hem zijn toevertrouwd. Hij weet zijn plaats en (er)kent zijn grenzen. Hij voelt waar zijn grens bereikt is en heeft het lef om de zorg uit handen te geven. Hij vertrouwt de jongen toe aan de Ander en is rotsvast overtuigd van de helende kracht van diens Woord.
Elke keer bij het uitspreken van die woorden “Heer, ik ben niet waardig dat Jij tot mij komt.” besef ik dat het dat is waar nederigheid om gaat: leven op de juiste plaats, jouw plaats. Nederigheid is jezelf noch te klein, noch te groot maken, maar het bevindt zich op de gulden middenweg tussen deze beide.

Mt.17,14-20 (07/08/2021)

Toen ze bij de menigte kwamen, kwam iemand naar Jezus toe en viel voor hem op de knieën: “Heb erbarmen met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt kwaad: soms valt hij in het vuur, soms in het water …! Ik heb hem bij jouw leerlingen gebracht, maar zij waren niet bij machte hem te genezen.”
Jezus antwoordde nu: “O generatie zonder vertrouwen en op de verkeerde weg, tot wanneer moet ik nog bij jullie zijn, tot wanneer moet ik jullie nog verdragen!? Breng hem hier bij mij.” En hij sprak de demon dwingend toe en hij ging van hem weg. Vanaf dat uur was de jongen genezen.
Toen de leerlingen alleen waren bij Jezus, vroegen ze: “Waarom konden wij die niet uitdrijven?” Hij zei: “Omwille van jullie niet-vertrouwen. Amen, ik zeg jullie: Als je een vertrouwen hebt als een mosterdzaadje, kun je tegen deze berg zeggen ‘verplaats je van hier naar daar’ en hij zal zich verplaatsen. Niets zal onmogelijk zijn voor jullie.”

Wat zou het toch zijn als we écht in vertrouwen zouden kunnen leven en ‘de rechte weg’ (= de juiste weg, de weg richting G-d) zouden bewandelen?! “Niets zou onmogelijk zijn!” Zelfs niet eindelijk tegemoetkomen aan de wanhoop van een vader die zijn kind ziet afzien en ten onder gaan.
Maanziekte lijkt te zijn wat wij nu epilepsie noemen. Dat de term tot een paar decennia geleden gebruikt werd (en in sommig taalgebruik nog steeds), wijst er op dat we in de benadering ervan misschien nog niet zo heel veel verder staan. We beperken de symptomen; dat is al iets. (Dat lukte de leerlingen toen nog niet.) Maar hélen we de ellende van wie hieraan lijdt en van zijn of haar omgeving?
Jezus raakt er een beetje ongeduldig over. Er ontsnappen hem harde woorden tegen zijn leerlingen. (Durven wij ze tegen óns laten klinken?) Het belemmert hem gelukkig niet zijn werk van barmhartige nabijheid toch te vervullen: “Breng hem hier bij mij!” (Terwijl iedereen liever afstand nam.)
‘Barmhartigheid’ gaat over ‘iemand dragen in de schoot’. Waar we op de kracht van dit leven-gevende gebaar vertrouwen, gebeurt het ‘onmogelijke’!

Mt.21,33-43.45-46 (18/03/2022)

Luister naar een andere vergelijking [zei Jezus tegen de afgezanten van de Joodse oversten]: “Er was eens een huisheer die een wijngaard aanlegde. Hij zette er een omheining rond, groef erin een perskuip uit en bouwde er een wachttoren. Toen verhuurde hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Toen nu de tijd kwam van de oogst, zond hij zijn dienaars naar de wijnbouwers om zijn deel van de oogst te ontvangen. Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. De een ranselden ze af, een ander doodden ze en nog een ander stenigden ze. Opnieuw zond hij nu dienaren, meer nog dan de eersten, maar ze deden met hen net zo. Ten slotte zond hij zijn zoon naar hen, denkend dat ze door zijn zoon tot inkeer zouden komen. Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze echter onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Vooruit, laten we hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.” Ze grepen hem dus vast, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die wijnbouwers doen?” Ze antwoordden hem: “Hij zal die slechteriken een slechte dood doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere wijnbouwers die hem de oogst wel zullen geven wanneer het daar de tijd voor is.”
Maar Jezus zei: “Herkennen jullie het Schriftwoord niet? De steen door de bouwers afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden. Dat is het werk van de heer, een wonder is het in onze ogen. [Ps.118,22-23] Daarom zeg ik jullie: Het koninkrijk van God zal van jullie weggenomen worden en gegeven aan een volk die er de oogst van voortbrengt.
Toen de hogepriesters en de Farizeeën deze gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat hij over hen sprak. En zij zochten hem vast te grijpen, maar ze waren bang voor de mensen, omdat zij hem voor een profeet hielden.

Deze gelijkenis kan doorheen verschillende brillen gelezen worden, en dan komen de vragen: Is het een gelijkenis over joodse leiders in de tijd van Jezus? Gaat het over Jezus – de zoon – en is het een voorzegging van zijn gewelddadige dood? Of gaat de gelijkenis over gewetenloze lieden, die gaan voor eigen gewin – hetzij baas, hetzij knecht? Of is het een aanklacht tegen een samenleving waarin geweld, dood en chaos de dienst uitmaken? Of tegen een gemeenschap waarin mensen elkaar instrumenteel behandelen als middel tot een doel?
Mij houdt deze gelijkenis een spiegel voor. Zo ziet de wereld er uit: we gebruiken elkaar voor eigen nut; we buiten uit – de aarde, de grond, de mensen – om er zelf beter van te worden.
En tegelijkertijd is het een hoopvol verhaal, van G-d en zijn schepping, een verhaal vol vertrouwen … Zó vertrouwt hij ons ‘zijn wijngaard’ toe! Zó zorgzaam vraagt hij mij vrucht te dragen …

 

Subcategorieën