Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

Tik Joh. 1,25 
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Mc.12,13-17 (1/06/2021)

Ze zonden enkele farizeeën en herodianen naar hem met de bedoeling hem op een woord te vangen.
Ze zeiden hem: “Meester, we weten dat jij waarachtig bent en in waarachtigheid de weg van God leert. Je laat je door niemand voorzegge en kijkt niemand naar de ogen. Is het geoorloofd belastingen te betalen? Moeten wij betalen of niet?”
Maar jezus doorzag hun dubbelzinnigheid en zei hen: “Wat stel je mij op de proef? Breng mij eens een belastingmunt, dat ik hem zie.”
Ze brachten er één. Hij vroeg hen: “Van wie is de beeldenaar en het opschrift?” Ze antwoordden: “Van de Keizer.”
Jezus antwoordden hen: “Geef dus aan de keizer wat aan de keizer toekomt, en geef aan God wat aan God toekomt.” Ze stonden perplex over hem.

Hoe vrij moet je zijn om open en ontvankelijk in gesprek te kunnen gaan met een gesprekspartner waarvan je vooraf weet dat hij je kost wat kost onderuit wil halen.
Zo vrij als Jezus!
Hij laat zich niet intimideren en confronteert z’n gesprekspartners met wat zij aan het doen zijn. “Wat stel je mij op de proef?”
Hij gaat niet in de verdediging (wat wij waarschijnlijk wel zouden doen als we in het nauw gedreven worden), maar opent zich voor wat zij te zeggen hebben en in alle vrijheid neemt hij het aan. Na een korte stilte neemt hij de draad van het gesprek op en lijkt mee te gaan in hun klein-menselijke machtsdenken. Ja inderdaad je moet belastingen betalen, dat is duidelijk. Deze belastingmunt is van de keizer (zijn beeld staat erop) daar kan je niet naast zien, dus geef het aan hem. Maar daar houdt het niet op. In één adem gaat hij door: wie draagt eigenlijk de beeltenis van G-d en wordt er dan ook aan G-d gegeven wat aan G-d toekomt?
Reeds bij het begin staat het in de Bijbel vermeld. Wij mensen zijn geschapen naar zijn beeld. Ons leven draagt het beeld van G-d. Zal ik dan mijn leven, mijn wezen, aan Hem teruggeven?

 

Mc.12,18-27 (2/06/2021)

Nu kwamen er sadduceeën bij hem. Zij [als religieuze stroming voor wie enkel de eerste vijf boeken van de Schrift bepalend waren] zeggen dat er geen opstanding [uit de doden] is. Ze vroegen Jezus: “Meester, Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, dan moet die broer bij de vrouw een nakomeling verwekken voor zijn broer. [Deut.25,5-10] Nu waren er eens zeven broers. De eerste huwde en stierf zonder nakomeling. De tweede huwde haar, maar ook hij stierf zonder nakomeling. De derde evenzo. Zo huwden alle zeven haar zonder een nakomeling na te laten. Als laatste stierf ook de vrouw. Bij de opstanding nu, van wie zal zij de vrouw zijn, want alle zeven hebben haar als vrouw gehad?”
Jeus antwoordde hen: “Dwalen jullie niet, omdat je niet in kennis bent met de Schrift noch met de dynamiek van God? Want wanneer zij opstaan uit de doden, huwen ze niet en worden niet gehuwd, maar zijn ze als engelen in de hemelen. En over de doden, dat zij opstaan: Hebben jullie niet gelezen in het boek van Mozes hoe God bij de braamstruik tegen hem zei: ‘Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’? Hij is toch geen God van doden, maar van levenden?! Jullie dwalen ernstig!”

Jezus gaat niet in op dat soort gemuggenzift met gefabriceerde casussen. Daarvoor is het onderwerp veel te belangrijk, én te duidelijk. “God is toch geen God van doden, maar van levenden!” – voor hem is het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld!
Er is geen leedvermaak in zijn antwoord. Eerder een liefdevol verdriet. Hij noemt hen ‘verdwaald’. (Elders in de Bijbel (bv. in de Psalmen) vaak genoemd ‘verdwaasdheid’, ‘slechtheid’ ook, maar niet in de morele zin, maar: je bent op de verkeerde weg, je ziet het niet meer juist.) Ze zijn verloren gelopen in hun eigen geredeneer – en dat, omdat ze “niet in kennis zijn met de Schrift” (terwijl ze die wel citeren).
Ik zou je nu de liefdevolle vraag moeten stellen: Ben jij verliefd op het G-ds Woord? Niet in de oppervlakkige zin, maar in de levens-veranderende zin. Ben je eraan verknocht geraakt? Kun je niet meer zonder leven? Wil je het steeds dieper leren kennen? Wil je er elke dag van genieten?
Wie ja zegt, zal niet meer dwalen en een werkelijke weg ten Léven gaan!

Mc.12,28b-34 (12/3/2021)

Een van de schriftgeleerden ging naar Jezus toe en vroeg hem: “Welk gebod is het eerste gebod van alle?”
Jezus antwoordde hem: “Het eerste van alle geboden is:
Luister, Israël, de Heer onze God, de Heer is één.
Je zult de Heer je God daad-werkelijk liefhebben,
met geheel je hart, met geheel je geest, en met geheel je verstand. [Deut.6,4-5]
Dat is het eerste gebod.
Het tweede is eraan gelijk:
Je zult wie jou nabij komt
daad-werkelijk liefhebben als jezelf. [Lev.19,18]
Een groter gebod dan deze, is er niet.”
De schriftgeleerde zei hem nu: “Goed, meester, het is waar wat je zegt: God is één en er is geen ander behalve hem,
en hem daad-werkelijk liefhebben met geheel je hart met geheel je geest en geheel je verstand,
en wie je nabij komt daad-werkelijk liefhebben als jezelf, gaat alle brand- en slachtoffers te boven.”
Jezus zag dat hij verstandig had geantwoord en zei hem: “Je bent niet ver van het koningschap van God.”
En niemand durfde hem nog een vraag stellen.

Luister! Dit is niet zomaar een aandachtstrekker of een uitnodiging om de oren te spitsen voor wat volgt. Neen hiermee begint het eerste van alle geboden.
Luister (sjama)! In het Hebreeuws klinkt het als hemel (sjamaim). De Joden wisten het reeds en wij weten het ook:Luisteren is hemels, zowel voor jezelf als voor de ander.
Dus luister! Leg even alle rumoer in en rond jou stil en luister naar woorden die van elders komen. Stem je af op de stem van onze G-d en ga je medemens tegemoet met alle liefde die je in je hebt.
Luisteren en graag zien, daar draait het om, dat is de kern van de zaak (hemels!). G-d graag zien, de mensen graag zien en jezelf graag zien. Kortom elkaar graag zien – G-d in de mens en de mens in G-d.
Dan doet de a/Ander er toe voor mij, dan raak ik écht op hem/haar betrokken. Dan kan ik niet anders meer dan geloven dat het samen-leven hier en nu anders kan en dat de sleutel daarvoor de Liefde is. En die begint met … te luisteren …
Er resten ons nog 20-dagentijd (en de rest van ons leven) om ons hierin te oefenen.

Mc.12,38-44 (5/06/2021)

In zijn onderwijzing zei Jezus: “Kijk uit voor schriftgeleerden die graag in lange gewaden rondwandelen, begroet willen worden op de markten, de voornaamste zetels willen in de samenkomsten [synagoge] en bij maaltijden, terwijl ze de huizen van weduwen opslokken en voor de schijn lang voor hen bidden. Voor dezen zal het oordeel des te strenger zijn!”
En gezeten tegenover de offerschaal, zag Jezus hoe velen er geld in wierpen. Veel rijken wierpen er veel in. Maar er kwam ook één arme weduwe, die er twee kopermuntjes in wierp. Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei hen: “Amen [zeker, naar waarheid], ik zeg jullie: Die arme weduwe heeft het meest van allen erin geworpen, want zij wierpen iets uit hun overvloed bij de gaven, maar deze vrouw, vanuit haar tekort, wierp er alles in wat ze had: haar leven!”

We weten het: Jezus kijkt naar het hart van de mens, niet naar uiterlijk vertoon.
We weten ook hoe goed dat doet als je zelf zo bekeken wordt, als je níet geoordeeld wordt op uiterlijkheden en men je goede bedoelingen ziet.
We weten het.
Waarom doen we het dan zo weinig? Waarom laten we ons zo gewillig meeslepen met oogverblindend vertoon? Waarom stellen we ons zo weinig vragen bij wat voorgeschoteld wordt als ‘o zo belangrijk’, terwijl het vaak maar om uiterlijk gewin gaat?
Zou het zijn omdat we niet in de kwetsbaarheid van ‘de arme weduwe’ durven gaan staan? Ik zeg ‘gaan staan’, omdat we eigenlijk altijd die kwetsbaarheid hébben, maar ze juist niet graag onder ogen zien. We camoufleren haar liever met … uiterlijk vertoon.
Hoe bevrijdend is het – dít is Evangelie, bevrijdende boodschap! – ons uiterlijk vertoon te mogen afleggen en onze schamelheid aan G-d te mogen aanbieden, in de vaste zekerheid dat hij ons zíet … en gráág ziet – tot in het diepst van ons wezen.
Hierin gaat de arme weduwe, en al haar rafelrand-genoten, ons voor …

Mc.12,35-37 (4/06/2021)

Jezus onderwees in de tempel. Hij vroeg: “Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Gezalfde [Christos/Messiah] een zoon van [koning] David is? Zelf heeft David immers door de heilige Geest gezegd: De Heer [God] zei tot mijn heer [de Gezalfde]: “Zit aan mijn rechterhand, Ik maak je weerstrevers tot je voetbank.” [Ps.110,1] Als David zelf hem dus ‘heer’ noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?”
De talrijke aanwezigen luisterden graag naar hem.

Kijk, dit is nu een stukje Evangelie waar ik al ‘mijn hele leven’ last mee heb. Dat Marcus uitgerekend na déze woorden van Jezus zegt: “De aanwezigen luisterden graag naar hem”, daar kan ik niet bij. Jawel, er zijn veel andere stukken waar ik dit onmiddellijk zou beamen, maar dit, nee. Ik begrijp niet wat Jezus hier wil duidelijk maken.
Misschien ben ik te weinig doorkneed in de Schriften, dat ik niet zie wat deze woorden allemaal tegelijk oproepen. Of misschien ben ik te weinig Jood, dat ik dit soort redeneringen op Bijbelpassages zou begrijpen. …
Kijk, er is aan dit onbegrijpelijke stukje Evangelie één grote troost: Het is blijkbaar niet nodig om elke letter te verstaan om toch die fascinerende figuur van Jezus te kunnen volgen – of preciezer nog: om door hemzelf geroepen te worden hem te volgen!
Het ‘criterium’ om leerling te mogen worden, is niet ‘alles begrijpen’, maar wel ‘willen luisteren’!

Mc.14,12-16.22-26 (3/06/2021) 

Op de eerste dag van [het feest van] de ongezuurde [broden], wanneer men het pascha [paaslam] slacht, zeiden zijn leerlingen tegen Jezus: “Waar wil je dat wij alles voor-bereiden zodat je het pascha kunt eten?”
Hij zond twee van de leerlingen uit en zei hen: “Ga naar de stad [Jeruzalem]. Er zal je iemand tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg die. En waar hij naar binnen gaat, zeg tegen de heer des huizes: De meester zegt: Waar is het onderkomen waar ik met mijn leerlingen het pascha kan eten? – En hij zal je een grote bovenzaal tonen, voorzien van ligbedden en helemaal bereid. Bereid het [pascha] daar voor ons.
De leerlingen vertrokken en kwamen in de stad. Ze vonden het zoals hij hun had gezegd en ze bereidden het pascha.
Terwijl ze aten, nam Jezus brood, zegende het en brak het. Hij gaf het hun en zei: “Neem, eet, dit is mijn lichaam.”
En hij nam de beker, dankte [eucharistein] en gaf hem hun. Ze dronken er allen uit en hij zei hen: “Dit is mijn bloed van het verbond dat vergoten wordt voor velen. [= allen]
Amen, ik zeg jullie: Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag dat ik haar nieuw zal drinken in het koningschap van God.”
Toen ze de lofpsalmen gezongen hadden, gingen ze naar buiten, naar de Olijfberg.

Pasen is zulk een uitmuntend betekenisvol feest dat we het 50 dagen lang vieren, plus nog twee ‘navieringen’, waar telkens nog een aspect belicht wordt. We hadden al Drievuldigheids-zondag; vandaag Sacramentsdag, waarop Jezus’ gave van zichzelf in brood en wijn centraal staat.
Het hele gebeuren draait om ‘bereiden’: voorbereiden, bereid zijn … Jawel, in zijn dubbele betekenis: je klaar maken én het willen. Deze beide horen samen! En dat heeft iets heel praktisch: er moet allerlei gebeuren; maar tegelijk ook iets heel ‘passiefs’: je moet je eraan overgeven.
Bekijk alle elementen eens vanuit dat dubbel oogpunt:
de zaal, de plek van het gebeuren, moet bereid zijn …
het eten, voeding om stil te staan en door te gaan, moet bereid zijn …
de leerlingen, erfgenamen, moeten bereid zijn …
Jezus, actor en slachtoffer, moet bereid zijn …
het brood en de wijn, waar alles in één punt samenkomt, moet bereid zijn …
En wat waar is voor dit ultieme diepste gebeuren tussen G-d en mens tóen, is even waar, en de weg náár, het diepst gebeuren tussen G-d en mij vandaag!

Subcategorieën