Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Mc.1,40-45 (16/01/2025)
40 Er kwam ook een melaatse bij hem.
Die knielde voor hem neer en smeekte:
“Als je het wil, ben je in de kracht mij te reinigen!”
41 En Jezus, ten diepste bewogen,
strekte zijn hand uit en raakte hem aan:
“Ik wil: word gereinigd!”
42 Onmiddellijk verdween zijn melaatsheid
en werd hij gereinigd.
43 Onmiddellijk stuurde Jezus hem weg,
hem streng toesprekend:
44 “Let op dat je aan niemand iets zegt,
maar ga [naar de tempel in Jeruzalem]
en laat je zien aan de priester
en offer voor je reiniging
wat Mozes heeft geboden,
als een getuigenis voor hen.
45 Eenmaal buiten, begon de man het echter luid te verkondigen
en ruchtbaarheid te geven aan de zaak,
zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen,
maar buiten, op eenzame plaatsen, verbleef.
Toch kwamen ze overal vandaan bij hem.
We hadden vorige vrijdag nog maar de Lucasversie van dit verhaal. Daar legden we het accent op ‘niet de éigen wil laten primeren, maar G-ds wil’, zowel voor de melaatse als voor Jezus. Vandaag kijken we even naar de onmogelijke opdracht die Jezus de man meegeeft níet te spreken over zijn genezing.
Vraagt Jezus hem níet te spreken? Eigenlijk niet. Hij vraagt hem éérst te spreken tegen G-d, m.a.w. aan G-d zijn dankbaarheid te laten blijken. Zijn genezing zou voor de rest wel vanzelf spreken. Maar hoezeer de melaatse ook inderdaad G-ds wil zoekt, de dankbaarheid om wat hij gevonden heeft mag niet ontbreken om het volledig te maken!
Het gebeurt o zo vaak … We vragen wat aan G-d – en dat mag duidelijk wel, we mogen wel degelijk zijn wil zoeken – maar dánken we hem ook om wat we gevonden/gekregen hebben? We keren ons tot hem met onze vragen, maar keren we ook naar hem terug met onze dankbaarheid? – dat zou nog het sterkste getuigenis zijn!