Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Lc. 18,1-8 (14/11/2020)
Hij vertelde hen nog een gelijkenis, met het oog op dat het nodig is te blijven bidden en te volharden:
“In een stad was er een rechter die de vrees voor God en de bekommernis om mensen niet kende.
Nu was er in die stad een weduwe die telkens opnieuw naar hem toekwam: “Doe mij recht ten opzichte van mijn tegenpartij.”
Een tijdlang wilde hij niet, maar op den duur zei hij tegen zichzelf: “Ook al ken ik niet de vrees voor God en de bekommernis om mensen,
omdat die weduwe mij zo last berokkent, zal ik haar recht doen, anders komt ze mij nog in mijn gezicht slaan.”
Nu zei de Heer: “Hoor wat deze ongerechte rechter zegt!
Zal God dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen en lankmoedig naar hen luisteren?
Ik zeg jullie: Met haast zal hij hen recht doen!
Maar als de mensenzoon zal komen, zal hij dan wel vertrouwen vinden op aarde?”
Je kunt deze kleine parabel van Jezus los van z’n context lezen, en dan gaat het erom dat G-d altíjd luistert naar wie tot hem roept.
Maar de eerste en de laatste zin – het kader waarin de parabel is gevat – vertellen ons dat het eigenlijk opnieuw over die ‘eindtijd’ gaat,
over dat wat wérkelijk van tel is, als het erop aan komt (zie gisteren). Nee, opnieuw geen ‘uitleg over hoe het allemaal zal verlopen’,
wél een dringende vraag van Jezus aan zijn leerlingen – aan mij dus – om “te blijven bidden en te volharden”.
Dat is nóch een naïef ‘hangen aan God’, nóch een heldhaftig/eigenmachtig ‘doorbijten’ om de moeilijkheden van de tijd door te komen.
Dat is wél: Wéten dat je zelf niet Léven kunt zonder het contact met de Onderstroom van het leven, met een G-d die dat leven bepaalt en schenkt.
In deze parabel geeft Jezus ons de garantie: élke keer wij ‘contact maken met de levengevende Onderstroom’ (= bidden), zál hij ons voeden en leven géven!
Híj geeft ons zijn woord – geef ik het mijne?
Lc.18,9-14 (13/3/2021)
Met het oog op sommigen die van zichzelf vertrouwden dat ze integer waren
en neerkeken op de rest, vertelde Jezus nu deze gelijkenis:
“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden. De ene was een farizeeër, de andere een tollenaar.
De farizeeër ging staan en bad over zichzelf: “God, ik dank je dat ik niet ben zoals de andere mensen:
grijpgraag, onrechtvaardig, overspelig, … of zoals die tollenaar.
Ik vast twee maal per week en ik sta een tiende van al mijn inkomsten af.”
De tollenaar bleef op een afstand staan, hief zelfs zijn ogen niet naar de hemel, maar sloeg zich op de borst:
“God, wil je verzoenen met mij, zondaar die ik ben.”
Ik zeg jullie: Híj keerde naar huis terug integer geworden, en niet de ander.
Want ieder die zichzelf groter maakt, zal kleiner worden,
en wie zichzelf kleiner maakt, zal groter worden.”
Voor, tijdens of na je werk even een tempel binnenlopen en bidden, het lijkt vanzelfsprekend voor farizeeërs en tollenaars. Regelmatig maken ze even tijd voor G-d.
Maar waarvan spreekt hun bidden? Spreekt het van zichzelf of mag G-d tot spreken komen? Dit brengt Jezus hier ter sprake: Op wie/wat is je bidden gericht?
Gebruik je het bidden om jezelf te overtuigen van je eigen goedheid? Ga je al biddend jezelf vergelijken met de ander? Dan is het gebed gericht op jezelf. Dan zal je ego ongetwijfeld groter worden, maar dit ten koste van de ander die alsmaar kleiner wordt.
Je kan ook bidden in de hoop en het vertrouwen dat G-d jouw verwijdering verwijdert. Je kan al biddend kritisch kijken naar jezelf in relatie met G-d. Dan mag hij in jou tot spreken komen en zal hij je optillen en doen groeien.
Aan jou de keuze. Wie mag jouw spiegel zijn? Jijzelf, die je ego spiegelt en aldoende meer en meer gericht raakt op jezelf. Of mag G-d jouw ijkpunt, jouw spiegel zijn? Mag hij je teruggeven aan jezelf, vrij-maken … om te Léven, te groeien en te zijn?
Lc. 18,35-43 (16/11/2020)
Jezus naderde Jericho. Een blinde zat langs de weg te bedelen.
Toen die de doortrekkende menigte hoorde, vroeg hij wat er aan de hand was. Ze zeiden hem dat Jezus van Nazareth voorbijkwam.
Hij schreeuwde: “Jezus, zoon van David, ontferm je over mij!”
Degenen die voorop liepen legden hem het zwijgen op,
maar hij schreeuwde nog luider: “Zoon van David, ontferm je over mij!”
Jezus bleef staan en beval dat hij bij hem gebracht zou worden.
Toen hij naderbij gekomen was, stelde hij hem de vraag: “Wat wil je dat ik je doe?” “Heer, dat ik weer kan zien!”
“Zie weer, zei Jezus, je vertrouwen heeft je behoed.” En onmiddellijk kon hij weer zien en volgde Jezus, God lovend.
Iedereen die dit gezien had, loofde God.
Als we deze gebeurtenis lezen, denken we er wellicht niet aan dat ‘Jericho naderen’ óók betekent:
al heel dicht bij Jeruzalem komen (waar Jezus’ lijden en dood hem wacht)! Heel veel – steeds meer – volgelingen sluiten zich aan op zijn tocht
en trekken ook letterlijk mee. En er heerst een opgewonden sfeertje: Nú zal het gaan gebeuren!
Nú zal Gods heerschappij zich tonen (en de gehate Romeinen buiten gooien)!
Nú zal de beloofde Messias zich eindelijk openbaren! Op dit moment lijkt het een triomftocht.
Jezus zal het meeste daarvan in de komende dagen moeten ontkrachten,
maar waar het mij vandaag om gaat is dat hij midden in dat uitgelaten gejoel van die grote menigte, oog – eigenlijk oor – heeft voor de nood van één roepende
(die door zijn handicap eigenlijk volstrekt buiten het gebeuren viel)! En die ene ontmoet hij ook heel persoonlijk (niet zomaar even een vlugge standaardformule).
Straks begint mijn drukke dag … Zal ik zien/horen de roep van die ene en daar blijven bij staan?
Lc. 19,1-10 (17/11/2020)
Nu ging hij Jericho binnen en trok erdoor. Kijk! Er was iemand die Zacheüs heette. Hij was hoofdtollenaar en een rijk man.
Hij trachtte Jezus te zien, wie hij was, maar het lukte hem niet door de menigte, want hij was klein van gestalte.
Hij rende vooruit en klom in een wilde vijgenboom om hem toch maar te zien, want Jezus zou daar langs komen.
En toen hij op die plaats was, keek Jezus omhoog, zag hem, en zei tegen hem:
“Zacheüs, haast je, kom omlaag, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.”
Hij haastte zich omlaag te komen en ontving hem vol vreugde.
Allen die dit zagen, morden nogal: “Hij is bij een zondaar binnengegaan om er te verblijven!”
Maar Zacheüs ging voor de Heer staan en zei:
“Ziehier, Heer, de helft van alles wat ik heb, zal ik aan de armen geven, en als ik iemand iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig teruggeven.”
Nu zei Jezus tegen hem: “Vandaag is vrijmaking aan dit huis gebeurd. Ja, ook hij is een zoon van Abraham.
Want de mensenzoon is gekomen om te zoeken en vrij te maken wat verloren was.”
Met Zacheüs zijn we nog steeds in Jericho, en dus op de laatste etappe van Jezus’ weg naar Jeruzalem.
En opnieuw valt, zoals gisteren, de tegenstelling op tussen de drukke menigten enerzijds en de aandacht voor de ene mens die bevrijding nodig heeft.
De drukke menigte lijkt niet de goede plaats te zijn voor een ontmoeting met Jezus. Dat had Zacheüs al door. Hij moet er zich wel voor ‘verlagen’:
Eérst denkt hij (zoals wij allemaal) dat hij zich moet ‘verhogen’, groter maken dan hij is. Dat hij zich daar éigenlijk mee ‘verlaagt’, belachelijk maakt,
heeft hij níet door. Maar gelukkig trekt Jezus zich van zo’n dingen helemaal niet aan. Hij ziet de méns. En hij nodigt hem uit zich écht te ‘verlagen’
– anders kan hij hem niet ontmoeten! Want ontmoetingen met Jezus spelen zich quasi altijd af ‘in de laagte’, in een of ander gebeuren van het heel gewone leven,
én ook ‘in de lage regionen van ons mens-zijn’, net daar waar het ons allemaal niet meer lukt (al of niet in eigen schuld).
Kan ik ‘omlaag komen’ en ‘vol vreugde’ Jezus ontmoeten vandaag? Zal ik daarvoor even ‘de drukte verlaten’?
Lc. 19,11-28 (18/11/2020)
Terwijl ze hiernaar luisterden, voegde hij er nog een gelijkenis aan toe,
omdat hij dicht bij Jeruzalem was en men dacht dat het koninkrijk van God dan onmiddellijk openbaar zou worden:
“Iemand van hoge afkomst reisde naar een ver land om het koningschap te ontvangen en dan terug te keren.
Hij riep tien van zijn dienaren. Hij gaf hen elk een trimesterloon met de opdracht: Drijf daar handel mee totdat ik terugkom.
Zijn landgenoten echter haatten hem en zonden een gezantschap achterna om te zeggen:
Wij willen niet dat deze man koning is over ons. Toen hij nu terug kwam, na het koningschap ontvangen te hebben,
liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te weten wie wat verhandeld had.
De eerste kwam bij hem en zei: “Jouw trimesterloon heeft het tienvoudige voortgebracht.”
Hij zei tegen hem: “Uitstekend, goede dienaar, omdat je in het kleinste trouw bent geweest, zul je gezag hebben over tien steden.”
Toen kwam de tweede en zei: “Jouw trimesterloon heeft het vijfvoudige voortgebracht.”
Ook tegen hem zei hij: “Ook jij krijgt het over vijf steden.”
Nu kwam een ander en zei: “Ziehier jouw trimesterloon, ik heb het bewaard, verborgen in een doek.
Ik was bang, omdat je streng bent: je neemt wat je niet hebt gegeven, je oogst wat je niet hebt gezaaid.”
Tegen hem zei de heer: “Met je eigen woorden zal ik je oordelen, slechte dienaar.
Je meende dat ik een streng mens ben, die neemt wat ik niet heb gegeven en oogst wat ik niet heb gezaaid.
Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank gegeven, zodat ik het bij mijn terugkomst met rente kon terugvorderen?”
Nu zei hij tegen de omstaanders: “Neem dat trimesterloon van hem af en geef het aan wie er tien heeft.”
Ze zeiden verbaasd: “Maar heer, hij heeft er al tien!”
Ik zeg jullie: “Aan al wie heeft, zal gegeven worden, en van al wie niet heeft, zal zelfs wat hij heeft weggenomen worden.
En daarnaast: Die vijanden, die niet wilden dat ik koning over hen ben, breng ze hier en slacht ze voor mijn ogen af.”
Hierna trok hij verder naar Jeruzalem.
De verwachtingen zijn hoog gespannen. Er wordt over niets anders nog gesproken: Jezus trekt op naar Jeruzalem waar hij het koninkrijk van God zal doen aanbreken.
Hij weet dat zijn toehoorders nog steeds niet begrijpen dat zijn koninkrijk – dat waar zij zo naar uitkijken –
wel eens van een heel andere orde zou kunnen zijn dan zij gedacht hadden. Daarom deze gelijkenis, in de hoop hun gedachtenpatroon te doorbreken.
Leven in zijn Rijk ís geen kwestie van gelaten wachten op de koning. In tegendeel er wordt verwacht dat je verantwoordelijkheid opneemt en je leven uitbouwt.
Alles wat je daarvoor nodig hebt, wordt je gegeven. Aan iedereen! Alleman krijgt hetzelfde, nl. dat wat nodig is
en dit samen met de opdracht om er iets mee te doen, te handelen. Niet zomaar lukraak maar G-dgericht. Je handelen heel bewust afstemmen op zijn Rijk.
Zo wordt Léven mogelijk, meer en meer.
Maar wat als wantrouwen en angst de richting aangeven? Dan valt alles stil, dan is er van groei geen sprake, integendeel je komt met lege handen te staan.
Dus neem je verantwoordelijkheid en leef, met dat wat je kreeg. Dan zal er jou steeds meer gegeven worden.
Lc.19,41-44 (19/11/2020)
Toen Jezus al dichtbij was en de stad zag, weende hij over haar: “Als je toch maar zou inzien,
ook vandaag nog, wat je vrede kan brengen …
Nu is het verborgen voor je ogen:
Er zullen dagen over jou komen waarop je vijanden een wal om je heen zullen werpen, je zullen omsingelen en langs alle kanten inklemmen.
Ze zullen jou en je kinderen verpletteren, geen steen zullen ze op de andere laten,
omdat je niet hebt ingezien het goede moment waarop naar jou werd omgezien.”
Zien, niet zien, inzien en omzien daar draait het om.
Jezus zag, geen overschouwen maar een heel intens zien. Dat wat hij ziet doet pijn. Mensen die niet kunnen/willen zien wat er hen aangeboden wordt.
Het onvermogen om in te zien wat vrede brengt en dat G-d naar hen omziet.
Het doet pijn. Al die intense go(e)dheid die niet gezien wordt en verborgen blijft voor onze – in zichzelf gekeerde – ogen.
Zo blijven we drukdoenerig bezig met het veilig stellen van het eigen leventje en dan valt het niet op dat er ergens muren worden gebouwd,
dat mensen verdrukt worden, dat de aarde om adem schreeuwt… Haast ongemerkt kan zo de vijand het overnemen en wordt het leven langs alle kanten ingeklemd.
En dit terwijl voor onze ogen een weg ten leven getoond wordt en vrede aangereikt wordt.
Jezus weent, maar hij gaat verder tot het uiterste. Verder naar Jeruzalem.
En wij? Durven wij onze ogen openen en zien? Kunnen we dan in die onmacht blijven staan en ja ook wenen?
Het kan, maar alleen vanuit een innerlijke vrede en het besef dat er Eén is die naar ons omziet.