Zoek
Zoektip
Zoektip:
Tik Joh. 1,25
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel)
Joh.6,1-15 (28/04/2024)
1 Hierna trok Jezus naar de overzijde van het meer,
dat van Galilea of Tiberias [twee namen voor hetzelfde – grote – meer].
2 Een grote menigte trok met hem mee,
omdat zij telkens de tekens zagen
die hij aan de zieken deed.
3 Jezus ging de berg op
en zette zich daar met zijn leerlingen neer [= onderrichtte].
4 Het was dicht bij het pascha-feest van de Joden.
5 Toen Jezus opkeek,
zag hij de grote menigte die naar hem toekwam.
Hij zei tegen Filippus:
“Waar kunnen we brood kopen om hen te eten te geven?”
6 Dit vroeg hij om hem te toetsen;
zelf wist hij wat hij zou doen.
7 Filippus antwoordde:
“Zelfs voor tweehonderd daglonen brood
zal niet genoeg zijn
om elk een klein beetje te geven!”
8 Een andere leerling,
Andreas, de broer van Simon Petrus, zei hem:
9 “Er is hier wel een jongetje
die vijf armemensenbroodjes en twee visjes bij heeft.
Maar wat is dat voor zovelen?”
10 Maar Jezus zei:
“Laat de mensen zich neervlijen
– er was op die plaats [en in die tijd van het jaar] veel gras
[het leek op een idyllisch feestmaal … maar dan zonder eten].
Men vlijde zich dus neer
– het aantal mannen was ongeveer vijfduizend
[‘gewoontegetrouw’ werden vrouwen en kinderen niet meegeteld, maar ze waren er wel].
11 Jezus nam nu de broden
en na gedankt te hebben [eucharistein]
verdeelde hij ze aan de leerlingen,
en de leerlingen aan de gezetenen.
Zo gebeurde ook met de vissen,
zoveel ze wilden.
12 Toen ze vervuld waren,
zei hij tegen zijn leerlingen:
“Verzamel de overvloedige stukken,
opdat niets verloren gaat!”
13 Zij verzamelden ze dus
en vulden twaalf korven met stukken
van de vijf armemensenbroodjes
die men had gegeten.
14 De mensen die gezien hadden
welk teken Jezus had gedaan, zeiden:
“Hij is zeker de profeet die in de wereld komende is!”
15 Maar Jezus, die inzag dat zij van plan waren
om hem te komen halen om hem tot koning te maken,
trok zich weer terug op de berg, geheel alleen.
Met een vertrouwd verhaal als dit zijn we geneigd om vlug door te lezen. We weten toch wat er staat. Klopt! Toch zou ik jullie vandaag willen uitnodigen om de tijd te nemen en langzaam te lezen. Misschien kom je een aspect uit het verhaal op het spoor dat je raakt, één is voldoende. Misschien is het de overvloed van Jezus' zorg voor de mensen of de armzalige hoeveelheid voedsel die de leerlingen ter beschikking hadden? Of is het de nuchterheid van Andreas ofhet rekentalent van Filippus? Of misschien veeleer de kracht van het breken en delen? Of misschien komen er vragen op als: wie mag mijn leven voeden? Hoe stil ik de honger die ik heb? ...
Laat dat ene aspect diep in je doordringen en neem (al was het alleen vandaag) de tijd om dat ene aspect concreet vorm te geven in jouw leven.
Joh.12,24-26 (10/08/2024)
24 Amen, amen, ik zeg jullie:
Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
dan blijft hij alleen;
maar als hij sterft,
draagt hij overvloedig vrucht.
25 Wie zijn eigen leven liefheeft,
verliest het;
wie zijn eigen leven in deze wereld loslaat,
behoudt het voor het voor het volle leven.
26 Als iemand mij dienstbaar wil zijn,
moet hij mij volgen,
en waar ik ben, zal ook mijn dienaar zijn.
En als iemand mij dienstbaar is, zal de Vader hem eren.
Vandaag vieren we het feest van de heilige Laurentius, een van de martelaren van de vroege kerk. Martelaren brengen ons vaak in de war en roepen allerlei vragen op in onze op het eerste gezicht tolerante tijden. Toch laten ze zien hoe waar en duidelijk de uitdaging in het Evangelie ook vandaag weer is.
Wat als ik verwacht word om net als die graankorrel te sterven om vruchtbaar te kunnen zijn?
De weg van de graankorrel is de weg van ieder mens om tot ontplooiing te komen. Elke graankorrel (elke mens) draagt immers een hele wereld in zich. Maar een graankorrel op zich, blijft alleen. Het is pas in totale overgave, in het loslaten van wie hij is, dat de kracht ligt tot openbreken, van binnenuit. Het is een proces van overgave om in stille eenvoud te sterven aan jezelf. Overgave aan de Liefde om zo totaal nieuw tot bloei te mogen komen.
En weet … de graankorrel ziet nooit de aar, maar hij gelooft erin.
Joh.6,41-51 (11/08/2024)
41 De Joden morden over Hem, omdat Hij zei:
Ik ben het brood dat neerdaalde uit de hemel.
42 Ze zeiden:
'Is dat niet Jezus, de zoon van Jozef?
Kennen wij zijn vader en moeder niet?
Hoe kan Hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?'
43 Jezus antwoordde hen:
'Mor niet onder elkaar!
44 Niemand is bij machte naar mij toe te komen,
als de Vader, die Mij zendt, hem niet trekt;
en Ik zal hem doen opstaan op de ultieme dag.
45 Bij de profetenstaat geschreven:
En allen zullen door God onderricht zijn.
Ieder dus die naar de Vader luistert en leert,
komt naar mij toe.
46 Niet dat iemand de Vader heeft gezien!
Enkel degene die van God komt,
heeft de Vader gezien.
47 Amen, amen, ik zeg jullie:
wie in mij vertrouwt, heeft het volle leven.
48 Ik ben het brood van het leven.
49 Jullie voorvaderen hebben het manna gegeten in de woestijn,
maar zijn [toch] gestorven;
50 Ziehier het [ware] brood dat uit de hemel neerdaalt:
ieder die hiervan eet, zal niet sterven.
51 Ik ben het levende brood
dat uit de hemel is neerge¬daald.
Als iemand van dit brood eet,
zal hij in volheid leven.
Het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld
is mijn vlees [lichaam].'
Met zijn ‘Ik ben’ identificeert Jezus zich met de God van Israël: ‘Ik ben die is.’ Hij vraagt niet: “Geloof in mijn woorden, maar geloof in mij! Geloof dat ik (en door mij ook jij) van G-d ben!” Dat roept weerstand op: Wie denkt hij wel dat hij is? Hij is toch ‘maar’ de zoon van die timmerman? Zijn toehoorders lijken niet te kunnen geloven dat er een andere herkomst is dan de familiale, dat je ‘meer’ bent dan het kind van je ouders, dat je door ‘meer’ bepaald wordt dan je feitelijke geschiedenis.
Jezus probeert hen duidelijk te maken dat hij zich openbaart als ‘hij die van G-d is’. Hij is dat ‘meer’. En daarover gaat het, nl. het spoor van G-d in elke mens, leven in volheid!
Zo gaat Jezus ons voor, hij schenkt zich aan ons als dat ‘meer’. Aan hem kunnen we zien wat het betekent leven als zijnde van G-d: jezelf uit handen geven, je niet bekommeren om je naam, om jouw leven, jezelf geven als brood. Zo een leven draagt eeuwigheidswaarde in zich.
Joh.2,1-12 (19/01/2025)
1 Op de derde dag [= na de roeping van (5) leerlingen / = ‘verrijzenisdag’]
was er in Kana in Galilea een bruiloft.
Jezus’ moeder was daar,
2 en ook Jezus en zijn leerlingen waren uitgenodigd op de bruiloft.
3 Er ontstond een tekort aan wijn.
Jezus’ moeder zei tegen hem: “Ze hebben geen wijn [meer].”
4 Jezus antwoordde:
“Wat dan nog voor mij en voor jou, vrouw?
Mijn uur is nog niet gekomen.”
5 Zijn moeder zei tegen de dienaren:
“Wat hij jullie ook zegt, doe het.”
6 Er stonden daar nu zes stenen waterkruiken,
volgens de reinigingsgebruiken van de Joden,
elk met een inhoud van twee of drie metreten. [1m = 39,39 tot. ca. 600l]
7 Jezus zei hen: “Vul deze waterkruiken met water.”
En ze vulde ze tot bovenaan.
8 Nu zei hij hen:
“Schep er wat van uit en breng dat naar de tafelmeester.”
En zij brachten het.
9 Toen de tafelmeester het water had geproefd
dat wijn geworden was,
– hij wist niet vanwaar die kwam, alleen de dienaren die het water geschept hadden wisten het –
riep de tafelmeester de bruidegom
10 en zei: “Iedereen zet eerst de goede wijn voor,
en als ze bedronken zijn de mindere.
Jij hebt de goede wijn bewaard tot nu!”
11 Dit was het begin van de tekenen die Jezus deed,
in Kana in Galilea.
Hij openbaarde zijn grootsheid
en zijn leerlingen vertrouwden in hem.
12 Hierna daalde hij af naar Kafarnaum,
[Kana lag in het bergland, Kafarnaum aan het meer van Galilea]
hijzelf, zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen,
en daar bleven ze enkele dagen.
Johannes schrijft wat anders dan de andere evangelisten. We kijken met hem vandaag even naar figuren die wel aanwezig zijn op de bruiloft, maar niet zo opvallen.
Maria, moeder ten voeten uit! Niets in haar wil zich op de plaats van haar zoon zetten. Integendeel, ze brengt het mooiste in haar zoon naar boven op een uitermate bescheiden, maar misschien net daarom meest effectieve manier. Dat is haar mooiste en krachtigste rol, waarzonder ‘het uur van Jezus’ niet zou gekomen zijn! Gezegend een maatschappij én een kerk met zó’n moeders!
De leerlingen. Een aantal van hen zijn er al bij. Ze volgden hem blijkbaar al, nog vóór hij zijn eerste bijzondere tekens had gedaan! Blijkbaar hebben zij niet het ‘spektakel’ gezocht in hem, maar voelden ze het bijzondere, het goddelijk-diepe in Jezus’ levenswijze en spreekwijze aan. Dáárop zijn ze leerling van hem geworden. Het zien van de ‘wonderen’ is daarop gevólgd! Gezegend wie niet afgaat op spektakel, maar ingaat op een diepe uitnodiging; hij/zij zal wonderen zien (én doen)!
Joh.1,35-43 (17/1/2021)
De volgende morgen [na zijn ontmoeting met Jezus] stond Johannes [de doper] daar weer, met twee van zijn leerlingen.
Toen hij Jezus opmerkte die daar rondwandelde, zei hij: “Kijk! Het lam van God!”
De twee leerlingen hoorden hem dit zeggen en gingen Jezus achterna.
Jezus keerde zich om en zag hen achterna komen. Hij vroeg hun: “Wat zoeken jullie?”
Ze antwoordden: “Rabbi – vertaald betekent dit: meester –, waar verblijf jij?”
Hij zei: “Kom en zie!” Dus gingen ze mee en zagen waar hij verbleef, en ze bleven de hele dag bij hem.
Dat gebeurde op ongeveer het tiende uur.
Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee leerlingen die dit van Johannes hoorden en Jezus waren gevolgd.
Voor alles vond hij zijn broer Simon en zei hem: “We hebben de messias gevonden
– wat vertaald betekent: de gezalfde [christos] – en hij bracht hem bij Jezus.
Toen Jezus hem zag, zei hij: “Jij bent Simon, de zoon van Johannes? Je zult genoemd worden: Kefas.”
– wat vertaald betekent: rots [Gr.: petra – Lat.: petrus]
“Wat zoek je?”, vraagt Jezus. “Waar (ver)blijf je?” antwoorden de leerlingen.
Eigenaardige vraag want in de Bijbelse mentaliteit is alleen G-d ‘blijvend’.
De mens gaat voorbij, G-d die blijft. Hij heeft eeuwigheidswaarde.
Dat leerde Israël als nomadenvolk in de woestijn: iedere morgen je tent opbreken (loslaten)
en verder trekken (aandachtig het nieuwe tegemoet gaan) terwijl de wind jouw voetsporen wegvaagt uit het zand (nederig).
Waar (ver)blijft G-d? Het antwoord op die vraag is met geen theorie te benaderen. Er is alleen de ervaring: “Kom en zie”.
Kom en zie! Je zal dus met hem moeten meegaan, je laten aankijken en zelf kijken. De tijd nemen om hem echt te ontmoeten.
Kom en zie! In Jezus’ gezelschap mag ook jij ‘blijvend’ worden. Je mag de onrust laten wegebben en een gevoel van rust, inwendige vrede in de plaats toelaten.
Kom en zie! Kijk naar de wisselvalligheden van het leven vanuit G-ds perspectief, vertrouw en laat het toe.
En weet, G-d is jou tot toevlucht, grond (een stevige rots) onder je voeten.
Joh. 13,16-20 (4/05/2023)
16 “Amen, amen, ik zeg jullie:
Een dienaar is niet groter dan zijn heer,
een gezant niet groter dan wie hem gezonden heeft.
17 Als je dit weet,
gezegend ben je als je het ook doet.
18 Ik zeg dit niet over jullie allemaal.
Ik weet wie ik heb uitgekozen,
maar het is opdat de Schrift vervuld zou worden:
‘Die aanzat aan mijn tafel,
heft zijn hiel tegen mij op.’ [Ps.41,10b]
19 Vanaf nu zeg ik het jullie voor het gebeurt,
opdat, wanneer het gebeurt,
je zou vertrouwen dat ik het ben.
20 Amen, amen, ik zeg jullie:
Als iemand verwelkomt wie ik zend,
verwelkomt hij mij;
en als iemand mij verwelkomt,
verwelkomt hij wie mij gezonden heeft.”
We zijn al ver gevorderd in de paastijd, terwijl deze lezing ons terug brengt naar die wonderlijke avond toen Jezus met zijn vrienden voor de laatste maal aan tafel ging en hen voorbereidde op wat er te gebeuren stond. Tijdens die maaltijd, op de avond voor zijn dood, gaf Jezus een lang onderricht, maar eerst en vooral stelde hij een krachtig, woordeloos gebaar. Het 'doen' van de woorden is voor hem immers van cruciaal belang. Zijn eigen handelen, zijn daden, stelt hij ons als voorbeeld om na te volgen.
Daarbij maakt hij zich geen illusies over het groepje mensen tot wie hij zich richt. De een zal hem verraden, de ander zal hem verloochenen of ze trekken zich terug op het moment van de beproeving. En toch probeert Jezus hen al doende te laten zien wat ware nederigheid omvat. Deze nederigheid heeft niets van doen met je positie, geen ‘kruiperigheid’ of jezelf naar beneden halen. Deze nederigheid plaatst ons op gelijke hoogte met elkaar. Als wij Jezus willen volgen zullen we moeten knielen om de anderen – ook wie ‘onder’ ons staat, ook wie ons kwetst en verraadt, … – de voeten te wassen.