Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

Tik Joh. 1,25 
of tik je specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Joh.20,19-23 (23/05/2021)

Toen het dan avond was, op die eerste dag, waren de leerlingen bijeen, met gesloten deuren, uit vrees voor de Joden. Jezus kwam, hij stond in hun midden, en zei tegen hen: “Vrede voor jullie!” [Sjaloom] En hij toonde hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen waren diep verheugd toen ze de Heer zagen. Jezus zei hen opnieuw: “Vrede voor jullie! Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie.”
Toen blies hij over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest-adem.” Als je iemands zonden [verwijdering] loslaat [vergeeft], dan worden ze losgelaten; als je ze vasthoudt, worden ze vastgehouden.

Zoals in de dagen van de schepping van de mens, bij wie het genomen worden uit de materialiteit van de aarde niet voldoende is, maar hij ook G-ds Geest-adem meekrijgt om te léven, zo herneemt Jezus in dit Pinkstergebeuren dit gebaar en worden de leerlingen – wij incluis – herschapen tot lévende mensen.
Als wij die Geest-adem bij ons binnen laten komen (en ons niet te bang opsluiten), brengt hij ons Sjaloom. Dat wordt terecht vertaald met ‘vrede’, als je het maar hoog en breed en diep genoeg begrijpt. Het gaat over véél meer dan ‘geen oorlog of ruzie’. Het gaat over een te-vrede-nheid met alles en iedereen, een harmonie met de mensen en de omstandigheden in je leven, een één-heid waar de ánder evenveel tot zijn recht komt als mezelf.
Opvallend is dat Jezus dit onmiddellijk verbindt met vergeving. De dynamische beweging die de Geest-adem in ons teweeg brengt, moet/zal zich tonen in de beweeglijkheid die wij aan de dag leggen voor de tekortkomingen van anderen. Hoe vred-ig wordt het, als ik naar de ander toega met het vuur van de Liefde!

Joh.20,1.11-18 (22/07/2023)

1     Op de eerste dag na de sabbat
       kwam Maria van Magdala
       vroeg – het was nog donker –
       naar het graf
       en zag dat de steen van het graf was weggenomen.
11    Maria was wenend bij het graf blijven staan.
       Zo wenend, boog zij zich naar het graf toe
12    en aanschouwde twee boodschappers [angeloi]
       die daar zaten in het wit,
       één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde,
       daar waar het lichaam van Jezus had gelegen.
13    Ze zeiden tegen haar:
       “Vrouw, waarom ween je?”
       Ze antwoordde hen:
       “Omdat ze mijn heer hebben weggenomen
       en ik niet weet waar ze hem hebben gebracht.”
14    Toen keerde zij zich om, naar achter [= weg van het graf]
       en aanschouwde Jezus die daar stond,
       zonder te weten dat het Jezus was.
15    Jezus zei haar:
       “Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je?”
       Menend dat het de tuinman was, zei ze:
       “Heer, als jij hem weggedragen hebt,
       zeg me waar je hem hebt neergelegd,
       zodat ik hem kan halen.”
16    Nu zei Jezus tegen haar: “Maria.”
       Zij keerde om en zei: “Rabboeni!”
       – wat wil zeggen: mijn meester.
17    Jezus zei haar:
       “Hou mij niet vast,
       want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader.
       Maar ga naar mijn broers
       en zeg hen:
       Ik ga op naar mijn en jullie Vader,
       naar mijn en jullie God.”
18    Maria van Magdala ging naar de leerlingen
       en berichtte hen dat zij de Heer had gezien
       en dat hij dit tegen haar had gezegd.

Maria van Magdala is wellicht een van de meest tot de verbeelding sprekende figuren uit het Nieuwe Testament. Hoe komt dat? Wellicht omdat ze ook het meest ‘menselijk’ is, en daardoor het dichtst bij onszelf staat. We horen over haar ‘zondigheid’ en over haar heftige emoties, maar ook over haar gedrevenheid vanuit een heel oprechte liefde.
Die zogezegd vrouwonvriendelijke Bijbel heeft nooit verzwegen dat zíj het was die als allereerste de verrezen heer heeft ontmoet, en dat ze met die boodschap naar de leerlingen moest (!) en dus de eerste geloofsverkondiger was!
Zou ikzelf zo’n boodschap aannemen van iemand die ik eigenlijk nogal aan de (rafel)rand van de maatschappij vind staan?
Om die boodschap te kúnnen brengen, moest Maria wel er zich twee keer voor omkeren! Eén keer weg van het graf, weg van alle doodsheid, weg van haar verknochtheid aan de uiterlijke vormen van vroeger; en één keer weg van zichzelf, weg van het zich wentelen in haar verdriet, weg van de geslotenheid voor haar eigen wezen.
Maria van Magdala gaat mij voor in deze omkering. Durf ik haar volgen?

Joh.21,20-25 (22/05/2021)

Petrus keerde zich om en zag de leerlingen die Jezus erg genegen was hen volgen. Het was hij die bij de maaltijd aan Jezus’ borst had gevraagd: “Heer, wie is het die jou zal uitleveren?” Toen Petrus hem zag, vroeg hij aan Jezus: “Heer, wat met hem?” Jezus zei hem: “Het is jouw zaak niet of het mijn bedoeling is dat hij blijft tot ik kom. Jij moet mij volgen.”
Zo ontstond onder de leerlingen de gedachte dat hij niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd dat hij niet zou sterven, maar ‘“het is jouw zaak niet of het mijn bedoeling is dat hij blijft tot ik kom’.
Het is deze leerling die van deze dingen getuigt en dit alles beschreven heeft. Wij weten dat zijn getuigenis waar is. Er zijn nog veel andere dingen die Jezus gedaan heeft. Als ze echter
allemaal beschreven zouden worden, zou – zo denk ik – de wereld te klein zijn voor de volgeschreven boeken.

Gisteren ging het over de vriendschap tussen Jezus en Petrus, met de consequenties die dat heeft voor zijn leven. Vandaag, in dit laatste stukje Paas-Evangelie, gaat het over de vriendschap tussen Jezus en Johannes.
Net omwille van wat hier staat, terwijl het duidelijk is dat het Johannesevangelie pas laat geschreven werd, ging de traditie ervan uit dat Johannes nog echt jong moet zijn geweest toen hij leerling van Jezus werd.
Of dat historisch ook zo was, doet er niet zoveel toe. Het doet ons wel begrijpen waarom Jezus een bijzondere genegenheid voor hem had. Jezus had het wel voor wie zich ontvankelijk open stelt en z’n hele leven erop inricht om hem te volgen. Echte leerlingen zijn zij die zich láten ‘kneden’, die kennis en wijsheid in zich opnemen en daarmee ook ‘de liefde voor de zaak van de meester’ overnemen en doorgeven.
Maar pas op! Ook dit leerlingschap heeft verstrekkende consequenties: je wordt getuige, ‘willen of niet’, een leven lang (en dat kan een láng leven worden), in een soort van ‘eeuwigheid’ die totaal aan je verstand ontsnapt. Maar je ‘moet’ getuigen, je kúnt niet anders: spreken, schrijven, en vooral … Léven!

Joh.10,27-30 (8/05/2022)

“Mijn schapen geven gehoor aan mijn stem.
Ik ken ze
en zij volgen mij.
En ik geef ze volheid van leven,
in der eeuwigheid gaan ze niet verloren,
en niemand zal ze uit mijn hand roven.
Wat de Vader mij gegeven heeft,
is groter dan alles,
en niemand is bij machte
te roven uit de hand van mijn Vader.
En ik en de Vader zijn één.”

Uitermate korte woorden –
voor een uitermate intiem en teder gebeuren:
Wij zijn allen in de hand van G-d
(wordt dat ook niet zo ons toegezegd bij ons doopsel?!),
en omdat Jezus ín G-d is
weidt hij ons daar
naar volheid van leven,
niet met macht en majesteit,
maar louter met de toon van zijn stem
en de zorg van de herder.
Als wij meegeven,
ingaan op dit intieme gebeuren,
wat kan ons dan tegengaan?
Dán worden wij vrije mensen,
kinderen van G-d,
één met alles en allen,
ín G-d.

Joh.14,21-16 (16/05/2022)

Wie mijn wijzingen waar maakt, die is het die mij daad-werkelijk liefheeft. En wie mij daad-werkelijk liefheeft, hem(/haar) zal mijn Vader daad-werkelijk liefhebben. En ik zal hem daad-werkelijk liehebben en mijzelf aan hem(/haar) openbaren.
Judas, niet die van Keriot, vroeg hem: “Heer, hoe komt het dat je je wel aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?”
Jezus antwoordde hem: “Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord be-waren [= vasthouden door waar te maken] en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen bij hem komen en ons verblijf bij hem maken. Wie mij niet liefheeft, maakt mijn woorden niet waar. En het woord dat je hoort, is niet míjn woord, maar dat van mijn Vader, door wie ik gezonden ben.
Deze dingen heb ik tegen jullie gezegd terwijl ik bij jullie verbleef. Later zal de medestander, de heilige Geest die de Vader zal zenden in mijn naam, jullie alles leren en in her-innering brengen wat ik tegen jullie heb gezegd.

Dit is een mooi staaltje van wat wederzijdsheid in een relatie ten diepste kan betekenen, nl:
Verlangen om de ander te leren kennen.
Jezelf laten kennen in al je kwetsbaarheid.
Elkaar graag zien en aan elkaar het anders-zijn gunnen, het aanvaarden en als een meerwaarde durven zien voor het geheel.
Alles doen zodat die ander kan en mag leven en in z’n waardigheid gebracht wordt.
Op die wijze daad-werkelijk in relatie durven gaan vanuit die wederzijdse liefde zou heel wat intermenselijke relaties doen herleven.
Voor Jezus gaat de wederzijdsheid zo ver dat hij één wordt, één met de Vader en één met ons mensen (als wij dit toelaten). Maar hij weet ook dat dit menselijk gezien een lastige zaak is (we zien onszelf zo graag). Dus laat hij ons niet alleen achter. Hij belooft een medestander, die ons zal be-geesteren, zodat wij in staat zijn om te her-inneren wat hij ons heeft voorgezegd en voorgedaan.

Joh.21,20-25 (30/05/2020)

In die tijd, toen Petrus zich omkeerde, zag hij, dat de leerling van wie Jezus veel hield, hem volgde;
dezelfde die ook bij de maaltijd tegen Jezus’ borst had geleund en had gezegd: Heer, wie is het die Jou zal overleveren?
Toen Petrus hem nu zag, vroeg hij aan Jezus: 'Wat dan met hem?' Waarop Jezus hem zei: 'Als ik hem wil laten blijven tot ik kom, is dat jouw zaak?
Jij moet mij volgen!' Zo ontstond onder de broeders het gerucht dat die leerling niet zou sterven. Doch Jezus had hem niet gezegd dat hij niet zou sterven, maar:
'Als ik hem wil laten blijven tot ik kom, is dat jouw zaak?' Dit is de leerling die van deze dingen getuigt en dit geschreven heeft,
en wij weten dat zijn getuigenis waar is. Er zijn nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft. Maar als ze een voor een beschreven worden,
dan zou naar mijn mening zelfs de hele wereld te klein voor de boeken die men dan zou moeten schrijven.

Nadat het gisteren ging over de liefde van Petrus, gaat het vandaag over die van Johannes, “de leerling van wie Jezus veel hield”.
Hoewel liefde altijd gaat over wederzijdsheid, lijken de rollen hier toch omgedraaid. Waar aan Petrus eerst gevraagd wordt zijn liefde te géven,
lijkt Johannes die eerst te kríjgen. Maar dat is enkel het eerste zicht.
Petrus heeft Jezus’ liefde al lang gekrégen! Bij zijn roeping als apostel al, maar zeer indringend net door het stellen van die vraag naar zíjn liefde voor Jezus,
misschien maar enkele dagen na zijn verloochening! Wat een overstelping van liefde: aan Petrus wordt niets aangerekend! Alleen de vraag gesteld:
met de liefde die je kríjgt, wat zul je ermee doen?
En aangezien liefde altíjd ontvangen en geven is, gebeurt hetzelfde bij Johannes – maar op zijn heel eigen wijze.
De wederzijdse liefde met Jezus mag blijkbaar zo uniek zijn als de mens zelf. Er blijken geen woorden te hoeven tussen Jezus en Johannes.
Hij ‘weet’ dat hij bemind is. En zijn wederliefde? … geeft hij in woorden … aan anderen (ook ons): het ware getuigenis van die liefde, in zijn Evangelie en brieven … “opdat ook zij zouden geloven”.

Subcategorieën